Hippische topsport wacht terugslag na successen van 1992

WASSENAAR, 20 FEBR. 1992 was voor de vaderlandse hippische sport een uniek jaar. Na zestig jaar blonk er weer eens olympisch goud en bovendien twee keer zilver. Het was verder een jaar met individueel goud en teamzilver op het WK vierspannen en bovendien waren jeugdteams op alle fronten internationaal succesvol.

De erevoorzitter van de Nederlandse Hippische Sportbond, prins Bernhard, kon gisteren op een stijlvolle locatie in Wassenaar 38 onderscheidingen uitreiken, een recordaantal. Maar of Zijne Koninklijke Hoogheid dat grote aantal voor 1993 weer zal kunnen reserveren, is nog maar de vraag. Er moeten de nodige hindernissen genomen worden voordat Nederlandse ruiters dit jaar op internationale kampioenschappen sterk voor de dag zullen komen.

De vooruitzichten aan het begin van dit jaar zijn in elk geval minder rooskleurig dan die van een jaar geleden. Alleen de bondscoach bij de springruiters, Hans Horn, is herbenoemd in zijn functie. En, zoals Horn onmiddellijk zegt: “Dat beetje extra klasse in het paardemateriaal dat we hadden vergeleken bij andere teams de afgelopen jaren, hebben we nu niet”. Voorlopig is alleen Jos Lansink met Egano een gezonde en fitte steunpilaar van het springteam. De energieke Ratina is verkocht en opvolger Rinnetou lijkt weliswaar goed maar daarmee nog geen Ratina. Top Gun van Jan Tops kan ooit voor een toprestatie zorgen. Het paard is echter behalve karaktervol ook gevoelig voor blessures en al enige tijd nergens meer aan de start gekomen. Vierde man Bert Romp raakte uit het zicht van het team nu hij niet meer over Waldo beschikt.

“Die vierde plaats wordt wel weer bezet, bijvoorbeeld door Roelof Bril met Let's Go, het paard dat onder de Spanjaard Luis Cervera aan de Olympische Spelen deelnam”, zegt Horn, “maar het is duidelijk dat ik iets meer vraagtekens heb over de kwaliteit van het springruiterteam dan vorig jaar. Met een nette equipe win je geen medailles. Je hebt die uitzonderlijke klassepaarden er wel degelijk bij nodig”.

Zowel het dressuurteam als de military equipe is dus zonder bondstrainer. Bij het dressuurteam komt dit in principe voort uit de luxe positie dat elke teamruiter begeleid wordt door een eigen kundige privétrainer. De functie van bondstrainer, die Henk van Bergen vanaf 1989 vervulde, is daarmee feitelijk overbodig geworden. Dat vond Van Bergen zelf ook: “Technische begeleiding hoefde ik niet meer zozeer te geven, behalve aan Tineke Bartels die ik al sinds de jaren zeventig train. En de resterende taak, die van een soort veredeld reisleider, ambieer ik niet. De Nederlandse dressuursport is zo volwassen geworden dat een bondscoach kennelijk overbodig is. Dan moet je je conclusies trekken en bedanken”.

Bij de military equipe is het ontbreken van een bondscoach pure armoede. Welk bestuurslid of welke trainer er ook opstond, nooit kreeg hij voldoende steun. De afgelopen twintig jaar werd de Nederlandse militarysport dan ook meer gekenmerkt door onderling gekrakeel, dan door teamgeest en prestaties in verbondenheid. Regerend Nederlands kampioen André van Spaendonck heeft niettemin goede hoop dat het gaat veranderen, vooral nu hij als spreekbuis naar voren is geschoven door de vijftien potentiële militaryruiters die Nederland rijk is. Samen met de stalmeester van de Koningin, Hans van den Hout, en zakelijk vriend Koos Busink heeft hij een praatstuk geschreven dat de basis moet vormen voor een nieuwe structuur van de militaryvereniging NSWV.

“In vergelijking met de andere twee hippische disciplines springen en dressuur moeten de Nederlandse militaryruiters technisch nog heel veel leren. Op alle niveaus dient er technische begeleiding te komen, terwijl er voor potentiële olympische ruiters toppaarden moeten worden gezocht. Ruiters die écht kunnen paardrijden, ik noem bijvoorbeeld de namen van springruiter Albert Voorn, maar ook die van Martin Lips en Hans Brugman, moeten de kansen krijgen op kampioenschappen”, aldus Van Spaendonck.

“Een duit voor het NOP is niet voor nop”, zo beëindigde voorzitter Van Nispen tot Sevenaer zijn toespraak tot de verzamelde medaillewinnaars. Of er in 1993 ook weer medailles zullen blinken, hangt volgens NHS-directeur Jacques van Leeuwen niet in de laatste plaats af van de financiële steun die de paardesport in haar volle breedte aan de stichting het Nederlands Olympiade Paard (NOP) zal willen geven. Dertien van de veertien naar Barcelona afgevaardigde paarden werden financieel ondersteund door deze stichting, die zich ten doel stelt om paarden voor Nederlandse topruiters te behouden. Binnenkort start de stichting een actie onder alle geregistreerde paardesportbeoefenaren. Of deze actie succes zal hebben, is nog maar de vraag. Voor de basissporter lijkt het mij moeilijk te verteren dat een springruiter die zijn brood verdient met paardrijden naast de prijzengelden de financiële steun van eenvoudige paardesporters niet zou kunnen ontberen. Terwijl veel ruiters na afloop van een NOP-contract na een internationaal kampioenschap alsnog voor verzilvering van de toegenomen waarde van hun prijsdier kiezen, waarmee de continuteit van successen in de sport nog niet is gewaarborgd.