Filmportret intellectuele reddingsboei op festival in Berlijn; Chomsky en de massamedia

BERLIJN, 20 FEBR. Buiten het hoofdprogramma van de 43ste Berlinale zijn met enige moeite heel wat aardige films te zien. In het beste geval bieden ze niet alleen esthetisch genot en amusement, maar ook voedsel voor de geest of zelfs een intellectuele reddingsboei om je aan vast te klampen in zo'n audiovisuele stortregen.

De bijna drie uur durende, in het "Internationales Forum des jungen Films' vertoonde Canadese documentaire Manufacturing Consent: Noam Chomsky and the Media werkt bij voorbeeld als een dergelijke toetssteen. Regisseurs Mark Achbar en Peter Wintonick volgden de Amerikaanse taalgeleerde Chomsky over de hele wereld bij talloze discussies, voordrachten, televisiedebatten en conferenties en smeedden die met behulp van uiteenlopende archiefbeelden aaneen tot een speels, tot de laatste minuut onderhoudend portret van diens opvattingen over de dienstbaarheid van de media aan politieke en militaire machthebbers. Chomsky's zeer omstreden, en op het eerste gezicht weinig plausibele, theorie heeft weinig te duchten van zijn tegenstanders in het debat. Zijn stokpaardje, dat de gruwelen van de Rode Khmer veel meer aandacht in de pers kregen dan de minstens zo omvangrijke genocide in Oost-Timor, wordt door de hoofdredacteur van The New York Times niet erg overtuigend weerlegd met het argument dat een dagbladredactie nu eenmaal snelle beslissingen moet nemen. De intellectuele superioriteit van Chomsky als "debater' wordt het meest pijnlijk duidelijk in de beelden van zijn duel in Groningen (onder auspiciën van deze krant) met de toenmalige minister Bolkestein; de filmmakers besloten de nederlaag van de laatste maar visueel te vergelijken met een boksmatch, besloten door een technische knock-out. De hoofdpersoon van de documentaire blijft onder alle omstandigheden vriendelijk en beleefd, maar gaat zelfs onder het zwaarste geschut (bij voorbeeld als hij zijn verdediging van het recht op vrije meningsuiting van de revisionistische historicus Faurisson beargumenteert) geen moment onderuit.

Munitie tegen Chomsky's visie op de almachtige media kan men - in zijn afwezigheid - wel ontlenen aan andere in Berlijn vertoonde films. De democratisering van het bezit van videocamera's zorgde immers niet alleen bijna voor een revolutie in Los Angeles (Spike Lee gebruikt de "Rodney King'-tape als proloog van zijn film over Malcolm X), maar maakte ook de Roemeense documentaire Timisoara, Decembrie 1989 van Bose Ovidio Pastina mogelijk. De amateurvideobeelden en -foto's van het begin van een volksopstand onthullen de gluiperige methoden van de nog steeds onbestrafte Securitate-handlangers en en passant ook het bestaan van authentiek heldendom van gewone burgers.

Hoe de media heldenmoed creëren, manipuleren en soms ook ontkennen, dat is het onderwerp van een bijzonder brutale en tegelijkertijd idealistische Amerikaanse komedie van de Engelse regisseur Stephen Frears. Hero, na het floppen in Amerika door Columbia Pictures voor Europese exploitatie omgedoopt in Accidental Hero, laat zien hoe de abjecte kruimeldief Dustin Hoffman min of meer per ongeluk 54 passagiers van een neergestort vliegtuig het leven redt en vervolgens spoorloos verdwijnt. Een toevallig tot de slachtoffers behorende televisieverslaggeefster (Geena Davis) begint een speurtocht naar "de engel van vlucht 406' en komt abusievelijk op de proppen met een andere sloeber (Andy Garcia), die zich al snel ontpopt tot televisie-volksheld. Het is een wonder dat het Amerikaanse publiek Hero niet lustte; de enthousiaste ontvangst in Berlijn van Frears' morbide satire (die hij zelf beschrijft als "halverwege Frank Capra en Preston Sturges') wijst erop dat in Europa meer begrip bestaat voor deze ontmaskering van de televisie-realiteit.

De ondergeschiktheid van echte gevoelens aan audiovisuele sentimenten is ook het onderwerp van Calendar, een in twee weken in Armenië opgenomen speelfilm van de Canadees Atom Egoyan. De regisseur speelt zelf een fotograaf, die naar het land van zijn voorvaderen afreist om een kalender samen te stellen uit beelden van heilige Armeense plaatsen. Zijn cynisme en onbegrip voor de betekenis van die oorden leidt tot een verwijdering van zijn vriendin en tolk Arsinée Khanjian, die na het werk daar achterblijft bij de Armeense gids-chauffeur. Egoyan communiceert vervolgens in Toronto alleen nog met zijn verloren liefde via antwoordapparaten en brieven, die hij alleen maar kan schrijven, wanneer tegelijkertijd in dezelfde kamer een escortgirl in een hem onbekende taal met haar geliefde telefoneert. Calendar is ondanks de gecompliceerde structuur een wonderlijk heldere en zeer overtuigende film geworden, een masochistische liefdesbrief van de regisseur aan zijn muze.