EUTHANASIE

W. Köhler schrijft in een recensie van mijn boekje "Een milde dood' (Boekenbijvoegsel 6 februari jl.): ""Het boekje bevat de NVVE-euthanasieverklaring en een bijbehorende uitleg. Het was netjes geweest dat voorop het werkje te vermelden.' Het bevat echter veel meer dan dat: het geeft ook basisinformatie die noodzakelijk is als inleiding bij de praktische handleiding die het boekje geeft.

De heer Köhler schrijft: ""Naar schatting 2300 keer per jaar geeft de arts de dodelijke middelen, maar laat uitvoering over aan de patiënt of zijn familie. Hoe die zich daarop moeten voorbereiden, beschrijft Jansen niet.' De heer Köhler weet blijkbaar niet dat in die 2300 gevallen de arts de dodelijke middelen aan de patiënt toedient door een injectie of via een infuus. Er is dus geen sprake van dat hij de uitvoering aan de patiënt of zijn familie overlaat. De heer Köhler had dat kunnen weten als hij blz. 20 had gelezen.

De heer Köhler schrijft: ""Zelfdoding onder medische begeleiding dient volgens Jansen 's avonds te gebeuren', en steekt vervolgens de draak met de precieze aanwijzingen. Hij vergeet te lezen: ""De genoemde tijdstippen moeten natuurlijk worden aangepast aan het moment waarop de patiënt de middelen wil innemen.'

Wie de moeite neemt het op een na laatste hoofdstukje uit het boekje dat over gebruik van euthanatica gaat, goed tot zich door te laten dringen, zal begrijpen dat het mede een waarschuwing inhoudt tegen ondoordacht innemen van middelen. Om geen misverstand te veroorzaken: het boekje vermeldt niets over de middelen zelf. Dat is een zaak voor de arts.

Als de heer Köhler de moeite had genomen mijn tekst van de voorbeelden van persoonlijke aanvullende verklaringen zorgvuldig te bezien, dan had hij gelezen dat ik niet spreek van een weigering tot opneming in een verpleeghuis maar van ""op grond van mijn geestelijke en/of lichamelijke toestand blijvend in aanmerking komen voor opneming in een verpleeghuis'. Dat is een indicatiestelling. In mijn tekst had hij dan ook nog gelezen: ""Deze aanvulling sluit aan bij de door velen gevoelde angst aangewezen te zijn op een verpleeghuis. Angst die niet wordt ingegeven omdat de behandeling daar niet goed zou zijn, maar omdat men zijn eigen geestelijke of lichamelijke toestand dan te ontluisterd vindt'. Bij deze genuanceerde tekst behoeven verpleeghuisartsen zich m.i. niet in hun kuif gepikt te voelen.

Het is een ingewikkelde materie. Vandaar dat het boekje geschreven is voor burgers, artsen en andere hulpverleners. Als het zo'n knullig boekje was als lezing van de recensie doet vermoeden, zou een deskundige als prof.dr. K. Gill, oud-hoogleraar in de huisartsgeneeskunde, er geen voorwoord ingeschreven hebben, dat eindigt met: ""Met het zorgvuldig bespreken en formuleren van wensen rond de eigen dood kan een zekerheid worden gecreëerd. Deze zekerheid kan evenwel voldoende zijn het einde van het leven rustig af te wachten. Dit professionele boekje kan daarbij nuttige diensten bewijzen omdat het op gedegen wijze een lacune vult.'

Ik nodig de lezer uit zelf er een oordeel over te vormen, indien men in het onderwerp genteresseerd is.