Eeuwig strijd tegen een achterlijke erfenis

MOSKOU, 20 FEBR. Eigenlijk heeft Loeba maar één wrok tegen het leven. De film Pretty Woman (kille man redt gedegenereerde vrouw, gedegenereerde vrouw redt kille man) heeft zich in haar bestaan tot nu toe nooit ontrold. Die vaderlandse Richard Gere is ze nog maar steeds niet tegengekomen. Het zou, sinds ze een Russisch nagesynchroniseerde piratenversie van Basic Instinct heeft gezien, overigens ook een Michael Douglas mogen zijn. Want al weet Loeba dat ze niet meer kan tippen aan Julia Roberts of Sharon Stone, ze heeft de hoop op een man, die maatschappelijk aanzien heeft en vooral fysiek niet te versmaden is, nog altijd niet opgegeven.

Eén keer dacht ze hem te pakken te hebben. Maar het Assepoester-sprookje viel toen al snel in duigen omdat hij, diplomaat, zich op het kritieke moment uit de voeten maakte, uit angst dat hij zijn carrière zou kunnen schaden met een vrouw die niet uit de elite stamde. Hij ging dus met een chique vrouw naar Nigeria en liet Loeba achter.

Want dat Loeba geen elitaire vrouw is, is evident. Ze is weliswaar in Moskou geboren en getogen. Maar dat zegt niets. Moskou is nu een stad met tien miljoen inwoners. Vlak na de oorlog was het, in vergelijking met Leningrad, echter nog een dorp waar alleen de omgeving van het Kremlin een enigszins stedelijke aanblik bood. De moeder van Loeba was in die dagen bovendien ongeschoold arbeidster in een suikerwerkfabriek. Een vader heeft ze nooit gekend. Dat was een industrie-proletariër uit Perm die na de oorlog kort in Moskou heeft vertoefd om bij te dragen aan de wederopbouw, haar moeder toen bezwangerde en 'm vervolgens weer smeerde.

Het is een verhaal waarvan er dertien in een dozijn gaan. Ook in de Sovjet-Unie was het in 1945 anarchie, met name op de huwelijksmarkt. Die was toen dermate uit balans door het tekort aan mannen dat de vrouwen maar één zorg hadden: een man, tegen welke prijs dan ook. Net als bijna al haar leeftijdgenoten is ook Loeba opgevoed met die angst om te laat te komen. Ze heeft daarom al vele mislukte relaties achter de rug.

Tot op de dag van vandaag weigert haar moeder maar een woord aan die vent vuil te maken. Het enige dat Loeba zodoende van hem weet, is dat hij een Rus was. Voor het overige zijn haar “wortels” haar onbekend. Zitten er Kaukasische voorouders in de familie of joodse? Want leek ze vijftien jaar geleden niet sprekend op Barbara Streisand?

De behoefte om daarover iets te weten, groeit de laatste jaren met de dag. Niet alleen omdat Loeba ouder wordt, maar ook omdat ze in zekere zin slachtoffer is van de modernisatie. Haar leven heeft zich in een te snel tempo ontwikkeld. Veertig jaar geleden wist ze niet wat een WC was. Toen ze als meisje voor de eerste dag naar school ging en tussen de lessen naar het toilet moest, zag ze voor het eerst van haar leven een pot. Ze kende van huis uit alleen een gat in de grond. Ze ging er dus niet op zitten maar klom er bovenop. Hilariteit van de onderwijzer en klasgenoten was haar deel.

Pas in de jaren zeventig begon ze het volle leven te leren kennen. Via-via (hoe, dat vertelt het verhaal niet) wist ze zich als werkneemster in het buitenlanders-circuit te wringen. Ze gaf haar baantje als typiste er aan en ging bij een ambassade werken als schoonmaakster. Later ruilde ze deze betrekking voor een baan bij een Westers bedrijf.

Ze laat zich de welvaart die ze daardoor nu heeft opgebouwd met genoegen aanleunen. De meubels thuis zijn van een Duits postorder-bedrijf, waarvan ze inmiddels weet dat het oplichters zijn maar wiens full-colour catalogus haar toch telkens weer verleidt. Haar rode Lada is nieuw. De benzine voor deze auto is voor haar nog steeds betaalbaar, al moet je regelmatig naar radio Sto Odin (radio 101) luisteren om te weten waar de pompen vandaag brandstof tappen. En ook haar datsja, gebouwd met de dollars die ze verdient, is eindelijk af. Dat is belangrijk. Want een Rus zonder datsja is geen echte Rus. Wat er aan inkomen overblijft, kan vervolgens relatief zorgeloos worden omgezet in duur eten van de kolchozemarkt in de buurt.

Er is alleen één levensgroot probleem. In het materiële vlak laat haar huisvesting hooguit wat te wensen over. Ze woont in een Brezjnev-huis uit de jaren zeventig. Die woningen zijn weliswaar slechter dan de Stalinbarok uit de jaren veertig en vijftig maar beter dan bordkartonnen Chroesjtsjov-flats. Helaas zijn Loeba's buren notoire dronkenlappen. De moeder van het gezin (een vrouw die in de naburige ZIL-autofabrieken heeft gewerkt) is al anderhalve maand in geen velden of wegen te bekennen. Haar twee zoons lijken zich daarover niet op te winden. Ze gaan zuipend en rokend door de nacht. Hetgeen op gezette tijden tot binnenbrandjes leidt in de gemeenschappelijk gang.

Loeba “kan het niet meer verdragen”. Ze wil weg. Maar waarheen? Een beetje normale huizenmarkt is in Moskou niet voorhanden. Van sociale stratificatie per wijk is evenmin sprake. Dank zij de gelijkheid van vroeger woont iedereen naast iedereen: professor naast gasfitter, arts naast pooier. Alleen de hoogste politiek-militaire elite heeft zich altijd aan die sociale gelijkschakeling kunnen onttrekken en verhuurt haar appartementen nu voor maandelijks minimaal driehonderd gulden per vierkante meter (tweemaal het prijspeil in Amsterdam) aan rijke Westerlingen. Daar komt Loeba nooit tussen. Ze hoort immers tot de middenklasse, niet tot de nouveaux riches. En dus zal zij, moderne Sovjet-vrouw van de jaren tachtig, moeten blijven leven temidden van de achterlijke erfenis van haar eigen jeugd.

Hoewel Loeba niet terug wil naar de discipline van Andropov, is ze alleen al om die reden een van de sociale tijdbommetjes onder de vooruitgang. Ook in Rusland geldt: let op de middenstand, hoe smal die ook is.