Een wandeling

Het is begonnen toen mijn moeder me vroeg een stekker te repareren. Ik was veertien, had al een zekere ervaring in zwakstroom achter de rug, maar er was me nog geen handeling op het gebied van 220 volt toevertrouwd. Een stekker bestond in die tijd uit tien delen, waaronder drie schroefjes en een moertje. Het "een stekker repareren' was een ritueel waar je doorheen moest om man te worden.

In deze tijd proberen de fabrikanten om van alles zoveel mogelijk één deel te maken. Om bij de stekker te blijven: die is in een huls van rubber gegoten; deze huls is weer een onverbrekelijk deel van het snoer en dit verdwijnt in een gat van het apparaat dat door de electriciteit gevoed wordt. Het apparaat zit in een plastic pantser en bestaat uit delen die bij de fabricage aan elkaar zijn gelast of gesmolten. Hier en daar zie je, diep verzonken, nog een boutje maar het valt niet meer na te gaan, welke delen daardoor bijelkaar worden gehouden. Als dus de stekker kapot is, geldt dit voor het hele apparaat. Vandaar dat je op de plaatsen waar het vuilnis geplaatst moet worden zoveel ogenschijnlijk nog zeer bruikbare apparatuur ziet. Dat het daar niettemin staat komt doordat geen mens nog bij machte is, dat gegoten pantser te doorbreken om het inwendige weer aan de praat te krijgen, of omdat alleen de "voorrijkosten' hoger zijn dan de prijs van een nieuw apparaat. Ik ken iemand die op zoek was naar een accu voor zijn auto. Zeker, die accu was wel te koop, verzekerde de dealer hem, maar dan moest hij de rest van de auto erbij nemen.

Dit wordt een ingewikkeld stukje omdat er veel uitleg van mechanisme bij te pas komt. Ik zal het zo kort en zo simpel mogelijk houden. Het komt erop neer dat het fenomeen "onderdeel' verdwijnt. De samenstellende delen van alles zijn ten eerste op zichzelf gecompliceerder en ten tweede onderling steeds minder verbrekelijk aan elkaar verbonden waardoor het "uit elkaar halen' een verouderde bezigheid is geworden. Neem een wekker. Een mechanisme met een veer, raderen, een onrust, een échappement, wijzerplaat, wijzers, enz. viel met een schroevedraaier en een tangetje in onderdelen te ontbinden. Bij een quartz uurwerk zal iedereen dat wel uit zijn hoofd laten. Derhalve heb je ook geen schroevedraaier of tangetje meer nodig.

Dit heeft weer tot gevolg dat de gemiddelde gereedschapswinkel een ander aanzien heeft gekregen. Vroeger was zo'n winkel ogenschijnlijk een chaos die werd beheerd door een eenvoudiger soort dokters in stofjas. Wilde je iets kopen dan leunden ze vertrouwelijk over de toonbank, vroegen waar je het voor nodig had - je moest als het ware A zeggen - en dan gaven ze je de goede raad waardoor je met iets anders naar huis ging. Een postmoderne gereedschapswinkel is een uitstalling van "powertools' waarmee je thuis de blits kunt maken; een elektrische slagboor met tien varianten in het toerental om een gaatje in de muur voor een schilderijtje te boren, en spijkers die niet per ons worden verkocht maar zijn voorgebakken in een plastic doosje dat weer op een stuk karton gelast zit. Al met al gaat het er in zo'n winkel kaal uitzien.

De verleiding is groot om dit inzicht tot andere terreinen uit te breiden. Als het aantal onderdelen vermindert, als het "uit elkaar halen' beperkter wordt, geldt dit ook voor het "in elkaar zetten'. Dit betekent weer dat de mogelijkheden tot improvisatie worden beperkt. Zo is Lego al een stap terug vergeleken met Meccano, dat in de hiërarchie van de improvisatie weer op een lager plan staat dan het constructiespel waarbij ieder onderdeel door de speler zelf moet worden gemaakt, tenzij hij het gevonden heeft. We moeten niet denken dat de verzorgingsstaat tot de sociale voorzieningen beperkt blijft; hij verlost ons ook van de noodzaak om het alom tegenwoordige Apparaat te begrijpen.

Dit alles schoot me van lieverlee tebinnen terwijl ik mijn dagelijkse doelloze wandeling maakte. Daarbij hadden m'n benen richting Canal Street gekozen, de straat die in zijn geheel een Winkel van Sinkel is. Het was niet helemaal toevallig. Ik had een rol plakband nodig om daarmee mijn gasfornuis voor uit elkaar vallen te behoeden.

Ergens ter hoogte van Broadway zag ik buiten op een toonbank een overweldigend assortiment plakband. Ik koos een rol. Binnen afrekenen. Daar stond ik opeens in de gereedschapswinkel der gereedschapswinkels, de moeder der gereedschapswinkels: een lange pijpenla met aan de wanden honderden dozen, op de grond evenzoveel kisten, en in het midden nog eens een verzameling van alle gereedschap dat sinds de Egyptenaren verzonnen is. Ik overdrijf om mijn gevoel van openbaring weer te geven. In die ruimte stonden weer tientallen mannen te zoeken naar wat van hun gading was. Het leek een beetje op het décor in de openingsscène van de film Die Dreigroschenoper. Ik ging me al schamen omdat ik alleen plakband nodig had.

Om dit gevoel te overwinnen begon ik het aanbod nader te bekijken. Het was in één woord onweerstaanbaar. Voor 45 cent heb ik me een drie inch houtbout aangeschaft, een bout zoals ik al graag had willen hebben toen ik veertien was, al wist ik toen niet waarom, en nu ook nog niet, maar komt tijd komt raad.