De omroep op de snijtafel met d'Ancona in de rol van prof. Tulp; De drang tot automutilatie is in Hilversum buitengewoon sterk

Deze zomer nog wil de minister van WVC een nieuw ontwerp voor een Mediawet aan de Tweede Kamer voorleggen, waarin een opmerkelijke stap terug wordt gedaan.

Terwijl de ledentallen van de omroepverenigingen gestaag dalen en het zeer de vraag is of de omroepen wel het monopolie op de programmagegevens zullen blijven behouden (waarvan het voortbestaan van de omroepgidsen met hun leden-abonnees mede afhankelijk is), RTL 4 een belangrijk deel van het kijkerspubliek behaagt en er waarschijnlijk nog dit jaar een "up-market'-zender RTL 5 verschijnt, belooft de minister het wankelende "publieke' omroepbestel een concessie voor tien jaar.

De voorwaarde daarvoor is dat er op de drie televisienetten wat meer wordt samengewerkt, want een constructie met ruim dertig zendgemachtigden, waarvan er ongeveer vijftien ieder een eigen programmabeleid en een eigen directeur op na houden, vindt de minister niet helemaal meer van deze tijd. En zo heeft het NOS-bestuur (de voorzitters van de acht A-omroepen plus vijf door de minister benoemde leden) in meerderheid de minister voorgezegd: splits tegelijkertijd de radio- en de televisie-organisaties van de NOS. De splitsing zou moeten opleveren: een produktiebedrijf, dat de programma's levert die wegens de frequentie van de uitzendingen en de efficiëntie niet goed door die naast elkaar werkende omroepen kunnen worden gemaakt (het Journaal, Den Haag Vandaag, de reguliere sportverslaggeving, prinsjesdag, nationale en internationale evenementen, in het omroepjargon "bij uitstek de taken van de NOS') en in een omroep, die de "aanvullende taken' voor zijn rekening neemt, het type programma, waarin volgens de Mediawet “niet in voldoende mate wordt voorzien door de programma's van andere instellingen”. Lees: programma's van informatieve en culturele aard, die niet per se voor een groot publiek zijn bedoeld.

De behandeling van de nieuwe wet in de Tweede Kamer zal daardoor associaties oproepen met Rembrandts schilderij De Anatomische Les: de omroep op de snijtafel en mevrouw d'Ancona als een vertwijfelde professor Tulp, die doceert dat het in coma verkerende lichaam tien jaar in een zuurstoftent tot rust moet komen. Zij het, dat eerst de lever moet worden gesplitst.

Het zal de derde keer tijdens het bewind van mevrouw d'Ancona zijn, dat een kans om het "public service' karakter van de Nederlandse omroep te versterken, wordt vergooid. De eerste keer was in 1991, toen de minister een advies van de Mediaraad naast zich neerlegde. Dit college ried de bewindsvrouwe toen aan alle omroepen zonder leden in één organisatie onder te brengen. Dat had een sterk BBC-achtig lichaam kunnen opleveren, dat zich geheel had kunnen richten op de primaire taken van een publieke omroep: goede nieuwsvoorziening, achtergrondinformatie, kinderprogrammering, educatie, sportverslaggeving, culturele informatie enzovoort.

Het was geen toeval, dat het overgrote deel van deze omroepjes èn de NOS - uitgezonderd het Journaal - toen op Nederland 3 uitzonden. Dat net, in april 1988 in het leven geroepen, was immers bedoeld om onderdak te verschaffen aan al die zendgemachtigden, waar de omroepverenigingen zich in hun programmering op Nederland 1 en 2 zo door gehinderd voelden.

Tegen alle verdrukking in ontwikkelde zich in enige jaren op Nederland 3 een programmering die - zeker nadat de achtergrondrubriek NOS-Laat was geïntroduceerd - een eigen, interessant en geïnteresseerd publiek wist te boeien. Maar dat zinde de grote omroepen niet.

In 1992 kwam het NOS-bestuur op de onzalige gedachte dat de drie netten "gelijkwaardig' moesten zijn en werd met de rekenmachine als instrument en zonder ook maar één argument van programmatische aard, het dertigtal omroepen en omroepjes weer anders over de drie televisienetten gespreid.

Ook Nederland 3, in aantrekkingskracht toen vergelijkbaar met het Engelse Channel 4 en het derde Duitse net, werd opgeofferd in de race naar de hoogste kijkdichtheid. Kleinere zendgemachtigden verdwenen naar de andere netten, ook enkele NOS-programma's werden verplaatst naar Nederland 1 en 2 en de VARA en de VPRO verhuisden naar Nederland 3. De tweede kans om op één net te programmeren zonder kijkcijferdwang was verkeken.

Maar de drang tot automutilatie is in Hilversum buitengewoon sterk. De door de omroepen zelf in het leven geroepen NOS, met als opdracht programma's te maken, waartoe men zelf niet in staat is of waar men van gruwt, moet nu dus ook organisatorisch worden gesplitst. “De pijn moet worden verdeeld”, zoals de omroepvoorzitters openhartig schrijven.

Niet dat men weet hoe het nu moet met de Olympische Spelen volgend jaar, of met de verkiezingen, of, lastiger nog, met een onvoorspelbaar evenement als een spannend debat in de Tweede Kamer of een conflict als de oorlog in de Golf, maar dat is van later zorg.

En die aanvullende balletten, minderhedenprogramma's en moeilijke documentaires blijven op of gaan weer naar Nederland 3. Daarover wordt volgens het voorstel een nieuw bestuur aangesteld. Dat deze operatie geld kost, schijnt in de Hilversumse verhoudingen geen punt van overweging te zijn. Maar wel ernstig is de schade die aan de kwaliteit van de programma's dreigt te worden toegebracht. De NOS-programma-organisatie is een redelijk geheel, waarin specialisten en generalisten werken, gebruikmakend van elkaars kennis. De in de wet genoemde "bij uitstek' en "aanvullende' taken, die overigens nog niet uitputtend zijn gedefiniëerd, kennen geen strikte organisatorische vertaling: wisselende medewerkers vervullen dikwijls wisselende opdrachten. Splitsing leidt onontkoombaar tot verlies aan ervaring en kennis. Dus ook tot verschraling van de programmatische kwaliteit van de gehele omroep.

Als men alle nadelen kent - en het NOS-Bestuur kent ze en de minister mag verondersteld worden ze te kennen - waarom wil men dan komen tot deze nog verdergaande segmentatie in het toch al zo versnipperende omroepbestel?

Alleen omdat VARA en VPRO op Nederland 3 niet kunnen of willen samenwerken met een NOS, die wordt bestuurd door alle omroepverenigingen? Als die vrees bestaat, ligt het eerder voor de hand de NOS-programmadiensten aan de controle van de omroepen te onttrekken en in hun geheel onder een nieuw omroeponafhankelijk bestuur te plaatsen.

Daar zijn de omroepen echter ook tegen. Hun overlevingskansen nemen met de dag af en het is de vraag of de vluchthaven, die de minister hun biedt, wel kan worden gehaald. Op zo'n moment instemmen met een organisatie die zich binnen een aantal door de wetgever gestelde grenzen onafhankelijk met programmering kan bezig houden en ook nog eens twee maal zo groot is als een A-omroep (volgens de huidige wet) is te veel gevraagd. Dat zou lijken op een nationale omroep, die in het komende geweld misschien wél overeind blijft. En hoe lang zit deze gulle minister nog?

Dus trekken de omroepvoorzitters, ondanks hun grote onderlinge verschillen van opvatting, eensgezind naar Rijswijk en bezweren de minister dat zij weliswaar nooit in staat zijn geweest om een fatsoenlijk, kwalitatief-interessant en efficiënt bestel op poten te zetten, maar dat zij dat nu echt gaan proberen als de minister hen maar geruime tijd van zuurstof voorziet én de NOS in stukken knipt. Dan maken zij, in onderlinge harmonie, het karwei wel af.

En die minister, langzamerhand suf van het gezeur, is kennelijk geneigd om weer toe te geven. Dan is ze er voor een lange tijd vanaf. Of dan doet de "Verelendung' wel haar werk. Tenzij het parlement nét zwicht voor een argumentatie, die die naam niet verdient.