DE DICHTER

Het was ongeveer vijf jaar geleden. De man stond in de juiste rij van het postkantoor ("Alle Handelingen', stond er op het bordje, wat ik altijd erg royaal heb gevonden) met een grote bruine envelop in de hand. Ik weet niet meer wat hij erbij zei, maar ik had niets ongewoons gemerkt. De lokettist nam de envelop, draaide hem een paar maal om en keek de man aan. Vier, vijf, tien tellen lang en dat is veel; als je zolang door iemand wordt aangekeken is er beslist iets aan de hand, met de ander of met jou. Tenslotte schoof de lokettist de envelop terug en zei, pijnlijk hoorbaar voor de hele rij: ""Zou er niet ook nog een adres op moeten?''

Ach, was dat het? Ik had een pen in m'n hand en stak die al vast naar de man uit, terwijl hij nog met zijn rug naar me toe stond. Maar toen keerde hij zich om, langzaam. Als er achtergrondmuziek was geweest zou die nu aanzwellen. Daar stond hij dan. Het is moeilijk om van iemand die je voor het eerst in je leven ziet te bepalen wat zijn blik precies zegt, maar deze uitdrukking was universeel. Paniek. Paniek in alle talen, in alle culturen en in alle streken van de hele wereld. Ik heb het over de echte paniek, over radeloosheid en angst, zoals bij iemand die zich op een zinkend schip bevindt, of in een brandend huis, een bergbeklimmer wiens touw breekt, een student die op het examen een black out krijgt, een chauffeur die een vrachtwagen frontaal ziet aankomen. Drama dus, met zweetdruppels op het voorhoofd en mondhoeken die spontaan alle kanten op trekken.

Hij nam de pen die ik naar hem uitgestoken hield en keerde zich om. Intussen kocht ik mijn zegeltjes. Hij stond ongeveer een meter van mij vandaan, diep voorover gebogen, alsof hij de envelop aan het besnuffelen was. Ik ging aan de kant staan en wachtte op mijn pen. Niemand op het postkantoor scheen iets te hebben gemerkt, iedereen deed wat hij doen moest en vertrok. Ik wachtte geduldig. Eindelijk richtte de man zich op en vroeg beleefd aan de klant die aan de beurt was of hij even vóór mocht. Snel schoof hij de envelop door de gleuf. De lokettist keek aan beide kanten, zoals de eerste keer, en schudde toen meewarig zijn hoofd: ""Dat kan ik niet lezen, meneer'', zei hij. Nu zag ik het ook. Het adres stond er wel, maar in Arabisch schrift. En het was me niet eens opgevallen dat het een buitenlander was.

Het kwam uiteindelijk wel goed, omdat ik de man uiteindelijk uit zijn lijden wist te verlossen door onder zijn adressering met hoofdletters "Marokko' te schrijven. Daarmee was de lokettist tevreden.

Het was een stevige kerel, met lang, krullend haar en een rond, kinderlijk gezicht. Hij sprak redelijk goed Nederlands, weet ik nog, vrijwel accentloos. En toch was hij analfabeet, althans in een Westers land als het onze. Hij bood me aan een kop thee met hem te drinken, zo dankbaar was hij, en ik liep met hem mee, uit nieuwsgierigheid. Was het de eerste keer dat hij gebruik maakte van het postkantoor? Migranten benutten over het algemeen alle mogelijke communicatiemiddelen, het leek me dus onwaarschijnlijk. Maar het was wel zo. Hij had nog nooit in zijn leven iets gepost, vertelde hij. Als kind was hij met zijn ouders naar Nederland gekomen, zijn vader verongelukte en ook zijn moeder overleed korte tijd later. Sinds zijn zestiende woonde hij alleen en zorgde hij voor zichzelf. Geen familie, ook niet in Marokko.

Ik probeerde mij zijn emoties van daarnet voor te stellen. Ik was nog geen twee weken in Nederland, in Leiden woonde ik, toen ik voor mijn eerste college naar Amsterdam moest. Vanaf het Centraal Station tram 1 of 2 richting Leidseplein, overstappen op bus 26, halte De Boelelaan. Op papier klonk het zo simpel. Maar het was wel de eerste keer dat ik op het Centraal Station kwam, wat zeg ik: ik had voor het eerst in mijn leven een treinreis gemaakt. Ik volgde de menigte en bleef bij de uitgang staan. Daar kwam tram 1, ik sprintte er achter aan, maar de tram stopte niet. In de drukte zag ik tram 2, vanuit de andere richting, waar ik ook achteraan holde, maar ook deze stopte niet. Paniek, herinner ik me, omdat ik aan niemand durfde te vragen waar de halte was, terwijl de trams vlak voor mijn neus voorbij reden.

Toch was het niet dezelfde paniek. Het was eerder schaamte, een gevoel van gêne en onzekerheid. Ik had wel de mogelijkheid om het probleem op te lossen, terwijl deze man op het postkantoor die mogelijkheid niet had. Toen hij de envelop terugkreeg moest hij even hebben gedacht: God, laat er een wonder geschieden, laat ik ineens het Latijnse schrift beheersen.

Nog veel langer geleden, in Suriname, maakte ik net zo'n geval mee. We kochten onze spullen op krediet en de winkelier hield onze aankopen bij in een speciaal boekje. Wij schreven op wat we hadden gekocht, hij schreef het bedrag. De moeder van de winkelier zat altijd bij het raam, ze hielp zo nu en dan in de winkel, maar het liefst keek ze naar buiten, of naar ons, als we in het boekje aan het schrijven waren. Op een dag riep ze mijn broer en mij naar zich toe. Ze nam een papiertje en een potlood, en maakte een krabbeltje. Een langgerekte kras eigenlijk. Ze vroeg: "Wat heb ik hier geschreven?'

Voor mensen die het niet kunnen, moet het schrijven haast een mystieke aangelegenheid zijn. Geen vaardigheid maar een gave, die je niet krijgt door oefening, maar door het gebed. Aan de andere kant kunnen mensen die wel hebben leren schrijven zich nauwelijks een voorstelling maken van hoe het is als je het niet hebt geleerd. Zoals je je niet kunt herinneren hoe een vreemde taal in je oren klonk voordat je die taal leerde spreken en verstaan.

Tussen taal en spraak staat het schrift. Iedereen leert spreken en iedereen gebruikt taal, maar wie dat tussenliggende niveau niet beheerst, verliest iedere aanspraak op beschaving. Het was geloof ik een romanpersonage van Gabriel Garcá Márquez die eens zei dat het oneindig moeilijker is om te schieten op mensen die kunnen lezen en schrijven dan op een stel armoedige analfabeten, omdat de schriftlozen toch geen deel uitmaken van de menselijke geschiedenis.

Ik zag mijn Marokkaanse vriend van het postkantoor laatst weer. Ik kwam uit een boekwinkel met een tas vol boeken - een situatie die me in een eigenaardige verlegenheid bracht, omdat ik het gevoel kreeg dat ik daar een beetje stond te pronken met het feit dat ik kon lezen en schrijven. Ik probeerde me te verontschuldigen door te vertellen dat ik jarig was geweest en een paar van de vele boekebonnen net had gebruikt.

Hij leek mijn houding te begrijpen, want hij lachte hartelijk en zei dat hij een geschenk voor me had. Ik was toch jarig geweest? Welnu, hij was eigenlijk een dichter en hij wilde mij een paar van zijn gedichten meegeven. Uit zijn tas haalde hij een boekje met een donkerrood plastic omslag te voorschijn. Een zakagenda. Daarin had hij, in Arabisch schrift, zijn verzen opgeschreven. Hij gaf me een bemoedigende klop op de schouder en verdween. Om deel te nemen aan zijn geschiedenis moest ik zijn taal leren. Hij had, vermoed ik, ten minste even veel medelijden met mij als ik met hem.