Dagboek van een vlucht

Chantal van der Hoeven (36) is verpleegkundige. Drie maanden geleden werd ze door Artsen Zonder Grenzen naar Rwanda uitgezonden om voedingscentra op te zetten in de vluchtelingenkampen. De laatste week van haar verblijf braken weer op grote schaal onlusten uit.

Een tip voor vrouwelijke medewerkers in het oorlogsgebied. Stop maandverband, met rode verf besmeerd, in je onderbroek. Als dronken soldaten je aanhouden en het ziet ernaar uit dat ze je willen verkrachten, haal het verband dan te voorschijn en zeg dat je ongesteld bent. De tip is van Pim. Hij is arts en heeft eerder voor Artsen Zonder Grenzen (kk AZG) in oorlogssituaties gewerkt.

In de Rwandese hoofdstad Kigali, op het kantoor van Médecins Sans Frontières (MSF), zoals AZG in het Franstalige Rwanda heet, heerst verwarring. We weten alleen dat de rebellen vanuit het noorden aanvallen hebben uitgevoerd en dat de vluchtelingenkampen massaal leegstromen. Het leger is in de tegenaanval. We besluiten in drie equipes op fact finding mission te gaan om te achterhalen waarheen de vluchtelingen zijn gegaan. Cora en ik zijn daarbij de enige vrouwen.

Josephine, onze huishoudster, vertelt volkomen over haar toeren dat Ruhengeri, een stad in het noordwesten, door rebellen is aangevallen. Josephine is een Hutu, de rebellen behoren tot de Tutsi's. In de jaren vijftig en zestig zijn in Rwanda ongeveer twintigduizend Tutsi's vermoord. Meer dan honderdduizend van hen zijn noordwaarts naar Oeganda gevlucht. Van daaruit hebben zij vanaf 1990 invallen in Rwanda gedaan, wat tot gevolg heeft gehad dat op hun beurt driehonderdduizend Hutu's, die in het grensgebied met Oeganda woonden, op de vlucht zijn geslagen.

In de taal van het internationale recht worden de Hutu's, omdat ze in hun eigen land op de vlucht zijn, omschreven als déplacés. Als ze een grens waren overgestoken, hadden ze de status van "vluchteling' gekregen en waren ze onder de aandacht van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN gekomen; dan hadden ze kans gemaakt op allerlei hulpprogramma's. Nu vallen de déplacés toe aan de zorg van de Rwandese regering. Het door de burgeroorlog ontwrichte land kan echter weinig voor hen doen. Daarom heeft AZG sinds de vorige zomer de verantwoordelijkheid voor de vluchtelingenkampen op zich genomen.

De rebellen zeggen dat hun aanvallen een vergelding zijn van de moord op meer dan driehonderd Tutsi's in Ruhengeri en Byumba. Niet alleen zouden ze Ruhengeri hebben bezet, het gerucht wil ook dat Buyoga en Kisaro in het noorden door de rebellen worden belegerd. Als dat waar is, zou een aantal van onze kampen al achter de linies van de rebellen liggen. Wanneer de déplacés wegtrekken, is al ons werk van maanden voor niets geweest.

We hebben net besloten naar Ngarama in het noordoosten te reizen om de situatie daar te bekijken als we van de Amerikaanse ambassadeur bericht krijgen dat ook die plaats is aangevallen. Een betrouwbare berichtgeving - dat is steeds weer het grote probleem. Er zijn journalisten in Rwanda, er is televisie, radio, er zijn kranten, maar alle media zijn in handen van de regering. Uit Nederland wordt soms een fax gestuurd met nieuws van Franse of Engelse persbureaus. Van deze berichten is de Nederlandse consul in Kigali een van de gretigste lezers.

Uitzicht

Even leek het erop dat ik niet mee had gekund op de fact finding mission. Catherine, de Franse verpleegkundige, had zich al opgegeven. Ze is eens in Sri Lanka gewond geraakt toen de auto waarin ze zat werd beschoten. Het was een gerichte actie tegen MSF. Onze projectleider weet Catherine ervan te overtuigen dat ze beter in Kigali kan blijven om de aanwezige voorraden medicijnen te inventariseren. Ik kan mee.

De rebellen - zelf noemen zij zich het Front Patriotique Rwandais (FPR) - zouden over dertigduizend soldaten beschikken, het regeringsleger over vijfenveertigduizend. Beide kampen hebben zware wapens, het regeringsleger heeft daarnaast ook gevechtshelikopters. Volgens de rebellen vechten aan de kant van de regering Franse militairen mee. Officieel zijn de Franse soldaten alleen in Rwanda om er het presidentiële paleis te bewaken, maar ze worden overal gesignaleerd.

's Avonds op de veranda geniet ik van het magnifieke uitzicht over de stad. In Kigali is weinig aan de hand. Er vliegen wat helikopters over. Hoewel de oorlogsdreiging al in de lucht hing toen ik aankwam, zijn de vijandelijkheden voor ons volkomen onverwachts begonnen. Gisteren zijn Koert, de voedingsdeskundige, Cora, verpleegkundige, en André, arts, gaan wandelen in het bergachtige Parc des Volcans, een beroemd natuurpark waar je met een beetje geluk gorilla's kan zien. Vanuit dat natuurpark werden die nacht de eerste aanvallen gelanceerd. Ze hebben niets gemerkt.

Op het kantoor in Kigali wordt druk gespeculeerd over de invallen. Josephine dringt er op aan aardappelen te hamsteren. Het hooggelegen Ruhengeri is de aardappelschuur van Rwanda. Iedereen vreest een explosieve stijging van de aardappelprijzen. In de stad zie je mensen die zakken met aardappelen, soms van wel vijftig kilo, op het hoofd dragen.

Vincent, water- en sanitair deskundige, heeft de Toyota Landcruiser wit laten spuiten om als MSF-medewerker beter herkenbaar te zijn. Rob, de latrinebouwer, zet een grote MSF-vlag op zijn terreinwagen. Besloten wordt alleen poolshoogte te nemen en geen gewonden mee terug te brengen en geen mensen die voor AZG hebben gewerkt. We werken met mensen uit de kampen, dat zijn onze "responsables'. Ik moet er niet aan denken dat we ook deze responsables vervoer moeten weigeren.

Drie equipes gaan het veld in. Elke equipe bestaat uit vijf mensen: een chauffeur die bij de wagen blijft, een Rwandese vertaler die goed bekend is in het gebied, een arts die de gezondheidsvoorzieningen controleert, een verpleegkundige en een water-/sanitairspecialist die toeziet op de latrines en het drinkwater.

Het is merkwaardig stil op de weg. Geen blokkades zoals we die altijd tegenkwamen. Nauwelijks militaire voertuigen. We rijden door een prachtig gebied - Rwanda wordt het Zwitserland van Afrika genoemd. Onderweg komen we Geneviève tegen, een Belgische verpleegkundige van het Rode Kruis. Zij is gisteren naar Ngarama gegaan en heeft daar tienduizenden vluchtende mensen waargenomen. Wij stuiten alleen in Muhondo op 25 kilometer van Kigali op vluchtelingen, die een voettocht van een halve dag achter de rug hebben. Ze zien er niet uitgeput uit. Het is in Rwanda niet ongebruikelijk om 's ochtend drie uur naar het werk te lopen en 's avonds drie uur terug. Onder de vluchtelingen zijn geen gewonden.

De mensen die in 1990 ontheemd raakten en nu voor de tweede keer op de vlucht zijn, hebben vrijwel niets meegenomen. De bewoners van Tumba, die voor het eerst op de vlucht zijn, hebben daarentegen bonen en allerhande huisraad bij zich. Kinderen van vijf jaar lopen met opgerolde matrassen op hun hoofd. Iedereen rept van massa's vluchtelingen, maar wij komen ze niet tegen. In een dorpje langs de weg drinken we een glas cola. In de verte klinken doffe knallen, geluid als van een onweer dat niet van zijn plaats komt. Door de warmte val ik bijna in slaap.

Waterzak

Op kantoor blijkt dat Eelco, de administrateur, met een vrachtwagen naar Gituza is gegaan. Hij probeert de radio te redden en de "cisterne souple', een waterzak waar 10.000 liter in kan. De andere equipes zijn al terug en blijken wel grote stromen vluchtelingen te hebben waargenomen. In Kisaro hebben de rebellen vanuit het midden van het vluchtelingenkamp met artillerie op de stad Byumba geschoten. Uit het nabij gelegen Buyoga en Kisaro zijn 15.000 mensen naar M'bogo getrokken. Ons kamp in Rebero, op tachtig kilometer van Kigali en met 20.000 bewoners, zou nog steeds intact zijn. Mijn voedingscentrum voor de 150 meest ondervoede kinderen functioneert nog, zo vertellen onze responsables, Eugene en Jean le Dieu, die naar Kigali zijn gekomen om medicijnen op te halen. Ze willen meteen terug, maar dat praten wij hun uit het hoofd. Morgen ga ik met ze mee. Er moet nog salaris worden uitbetaald en in Rebero is nog veel meel, melkpoeder, suiker en medicijnen aanwezig, die we voor de nieuwe kampen hard nodig zullen hebben.

Op weg naar Rebero stuiten we al snel op een grote groep vluchtelingen. Ze komen uit Kisaro en ook Buyoga en lopen over de asfaltweg in de richting van Kigali. Een indrukwekkende exodus. Jeeps met soldaten van het regeringsleger rijden ons tegemoet op weg naar het zuiden. Wanneer we een paar zwaar bewapende soldaten op de fiets tegenkomen schrikt Martin, onze chauffeur. Ze hebben geen insignes op, het zouden rebellen kunnen zijn. Martin is bang dat we achter de linies terecht zijn gekomen, maar de soldaten schenken ons geen aandacht.

Het kamp in Rebero is uitgestorven. In de verte zien we mensen wegrennen. Op de achtergrond het gedreun van inslaande granaten. Het voedingscentrum is helemaal leeg. De kraan staat open, het water gutst in de wasbak. Er liggen nog wat medicijnen op een plank, verder is alles weg. De grond ligt bezaaid met papier. 's Ochtends vroeg, zo vertelt iemand die is achtergebleven, hebben militairen van het regeringsleger het kamp leeggehaald.

Ook de dispensaire, de polikliniek, is leeg. Er staan nog wat bedden, zonder matras. Het plastic zeil, "sheetink' (op z'n Frans uitgesproken) is van het dak gehaald. Ik raak aangedaan als ik onze medewerkers Justin en Dative zie. Justin is panisch van angst. Ik geef ze hun salaris en neem afscheid. Langzaam maakt de paniek zich ook van ons meester, we zitten vlak bij het strijdtoneel.

Op de terugweg blijkt zich bij Gaseke, op 30 kilometer van Kigali, al weer een kamp te hebben gevormd. Iedereen kauwt er op suikerriet, afkomstig van een plantage beneden in het dal. Een "buergermestre' heeft mensen gerecruteerd om lijsten op te stellen van déplacés, nieuwe en oude. Van Gaseke rijden we door naar Nyacyonga op 15 kilometer afstand van Kigali. Ook daar zit het al vol. De watervoorziening is slecht en er zijn geen latrines. In dit gebied komen meningitis, malaria en mazelen veelvuldig voor. Merkwaardigerwijze staat vlakbij Nyacyonga, een piepklein gehucht, een enorm marktcomplex met tientallen kamertjes en grote, overdekte hallen. De bouw ervan is net die week beëindigd.

Nieuwe golf

Op het hoofdkantoor in Kigali heerst een opgewonden sfeer: het is ook hier bekend dat Rebero is leeggestroomd en dat de tweehonderdduizend vluchtelingen weer op de loop zijn. Steeds meer mensen verzamelen zich in Nyacyonga. Gevreesd wordt dat van daaruit de nieuwe golf déplacés Kigali zal binnentrekken. De chaos zou dan niet te overzien zijn. Morgen moeten we zo snel mogelijk naar Nyacyonga, zegt Henry, onze coördinator. Een gebouw claimen, anders pikt het Rode Kruis dat straks in. Hij wil ook versterking uit Amsterdam, waar het hoofdkantoor van AZG is gevestigd.

De volgende dag blijken er in Nyacyonga weer duizenden vluchtelingen méér te zijn. De schitterende nieuwe markt is nu geheel bezet door groepen haveloze mensen die overal vuurtjes stoken. De buergermestre wijst ons een gebouw naast het marktcomplex. We maken het schoon en richten het in. Vincent verzorgt de watervoorziening. De dispensaire wordt in gereedheid gebracht. Wanneer 's middags een vertegenwoordiger van het Rode Kruis langskomt weet hij niet meer te zeggen dan: ""Vous êtes vites''. Andere organisaties zijn nog aan het vergaderen.

Volgens officiële schattingen zijn 550.000 mensen op de vlucht geslagen, MSF houdt het op 350.000. Met het inrichten van latrines zal van dat laatste getal worden uitgegaan. Iedereen is vol goede moed bezig met de organisatie van nieuwe kampen. Misschien breekt over een maand de burgeroorlog echt uit, dan kunnen we van voren af aan beginnen. Koert neemt het besluit om voorlopig niet naar Nederland terug te gaan. Mij wordt gevraagd of ik ook wil blijven, maar ik ben op.

Omdat ik mijn paspoort ben kwijtgeraakt, haal ik op het Nederlandse consulaat mijn laissez passer op. Een dame staat me te woord. Op bekakte toon zegt ze: ""Vertrekt u juist nu, terwijl er zoveel vluchtelingen zijn?''