Carnaval, de fiscus en het algemeen nut

ROTTERDAM, 20 FEBR. Giften aan kerkelijke, culturele, wetenschappelijke, charitatieve of het algemeen nut dienende instellingen zijn fiscaal aftrekbaar. Maar past ook een carnavalsvereniging in dat rijtje thuis?

Een carnavalsvierder dacht van wel. Op zijn aangiftebiljet voerde hij zijn - niet gedeclareerde - kosten van de carnavalsvereniging op als giften. De inspecteur der belastingen haalde hier echter een streep doorheen, tot ontsteltenis van de carnavalsvierder. Die verzette zich tegen deze beslissing en stapte naar de rechter.

Volgens de rechter kon niet worden geconcludeerd, dat - rekening houdend met de activiteiten die de carnavalsvereniging organiseerde - de vereniging in eerste instantie gericht was ter vermaak van de leden zelf. Dat de carnavalsvereniging in het rijtje thuis hoort van charitatieve, kerkelijke, culturele, wetenschappelijke dan wel het algemene nut beogende instelling.

Tot welke instelling de carnavalsvereniging precies gerekend moest worden liet de rechter bij zijn uitspraak in het midden. Dat maakte voor de carnavalsvierder ook weinig uit. Hij mocht zijn kosten voor de carnavalsvereniging beschouwen als een gift en dus van zijn inkomen aftrekken.

Een opmerkelijke uitspraak die de deur lijkt open te zetten voor de aftrekbaarheid van vele carnavaleske verkleedpartijen, bieren of ander soortige versnaperingen, mits in verenigingsverband uitgevoerd. Maar volgens belastingadviseur mr. L.J.A. Heijtel, van Cooper & Lybrand, is dat geenszins het geval. “Het gaat om de achtergrond waartegen deze zaak moeten worden bezien en het doel dat de carnavalsvereniging beoogde.”

De plaatselijke carnavalsvereniging, waar de inventieve belastingbetaler lid van was, had een heldere doelstelling: de belangstelling voor en de viering van het jaarlijkse carnaval in de ruimste zin des woords te bevorderen. De vereniging organiseerde daartoe een scala van activiteiten, zoals een optocht, een carnavalsmiddag voor bejaarden en een disco voor de jeugdigen, die zodanig was opgezet dat de criminaliteit en het vandalisme nauwelijks de kop op konden steken.

De carnavalsvereniging was dus niet ter vermaak van de leden zelf, maar voor de gehele plaatselijke gemeenschap. Het maakte naar de mening van de rechter weinig uit dat de leden van de carnavalsvereniging daaraan zelf ook plezier beleefden. “Het particuliere belang was in dit geval duidelijk ondergeschikt. Een volgende procedure op dit terrein kan weer heel anders uitpakken”, aldus Heijtel.

Rest de vraag wat voor een soort instelling een carnavalsvereniging nu is? De rechter laat die vraag in zijn uitspraak onbeantwoord. Natuurlijk is er de mogelijkheid de carnavalsvereniging onder de noemer van een kerkelijke instelling te brengen. Maar dat ligt niet voor de hand, meent Heijtel.“Weliswaar heeft het carnavalsfeest van oorsprong een kerkelijk achtergrond, maar die is de loop der jaren wat uit het zicht geraakt.” Ook de kwalificatie dat de carnavalsvereniging als een charitatieve, culturele of wetenschappelijke instelling kan worden aangemerkt, lijkt moeilijk te verdedigen.

Blijft over dat de carnavalsvereniging een instelling is die het algemeen nut beoogt. “Er is een parallel te trekken met een ijsclub die haar banen gratis voor zowel leden als niet-leden openstelde. De ijsvereniging werd ook door de rechter aangemerkt als een "algemeen nut beogende'-instelling”, aldus Heijtel, die eraan toevoegd dat carnavalsvierders met deze wetenschap eventueel hun voordeel kunnen doen. “De kunst is echter om het particuliere belang en het algemene nut goed tegen elkaar af te wegen.” Kan carnaval toch ook nog een financieel aantrekkelijk feest worden.