Ahoy' maakte tennis in Nederland echt populair

AMSTERDAM, 20 FEBR. De tennisbond moest in 1972 even wennen aan die nieuwe, snelle wereld van het proftennis. De bestuurderen lieten de toenmalige directeur Harry Hofmeester van sportpaleis Ahoy' weten dat hij geen medewerking hoefde te verwachten van de bond. Hij moest zelf maar scheidsrechters en ballenjongens regelen.

“Proftennis was vies”, zo blikt Hofmeester terug. “Ons toernooi was een revolutie in Nederland. Tennis was toen voor de happy few. Die keek verontwaardigd om als iemand in het publiek hoestte of een blikje cola met een tik op de grond zette. In Ahoy' kwam ineens zes duizend man, het gewone volk. Ahoy' was een theater. Het miste de intieme sfeer van bijvoorbeeld het Melkhuisje. Door ons toernooi kwam tennis hier voor het eerst langdurig op televisie. Daarmee begon de populariteit van het tennis in Nederland. Nu zijn tennis en televisie een Siamese tweeling.”

Tennis maakte begin jaren zeventig de sprong van elite naar massa. De sport had pas kort daarvoor, in 1968, na een eindeloze strijd tussen vernieuwers en traditionelen de geforceerde scheiding tussen profs en (onder tafel) betaalde amateurs opgeheven. Vanaf dat jaar mochten de proftennisers meedoen met bijvoorbeeld Wimbledon, Roland Garros en de US Open. Voor de verdere popularisering zorgde onder meer het World Championship Tennis, een circuit dat werd betaald door de Texaanse miljardair Lamar Hunt. Zij hadden 48 spelers onder contract, die in drie groepen een toernooiencircuit afwerkten. De besten plaatsten zich voor de finale in Dallas.

Nederland zag de wereldtoppers slechts zelden aan het werk. Vanaf 1957 was er het Melkhuisje in Hilversum. Van 1952 organiseerde de Internationale Club de dag na de Wimbledonfinale, die toen nog op zaterdag werd gespeeld, een exhibitie op de banen van METS in Scheveningen. Daar kwamen de finalisten (Brodny, Emerson, Rosewall, Drysdale, enz.) voor een paar honderd dollar spelen. Maar in 1972 werd dat te duur, gingen de startgelden de inkomsten van vijftienduizend gulden overtreffen. Een enkele maal was er ergens een proftoernooi met acht deelnemers.

Ahoy' was in 1971 opengegaan. De toenmalige directeur Hofmeester wilde vanaf het begin graag een tennistoernooi en ging in zee met de WCT. De winnaar van het eerste toernooi, gesponsord door Caballero en de Avro in november 1972, was Arthur Ashe. Omdat de WCT de jaarindeling veranderde, verschoof het toernooi daarna naar het voorjaar. Vanaf maart 1974 sponsort de ABN-bank. De eerste prijzen waren laag vergeleken bij nu: tienduizend dollar voor de winnaar.

Okker won het tweede toernooi. En fungeerde als de belangrijkste publiekstrekker. “Dat is een extra druk” zegt Okker. “Je wil graag laten zien dat je hier ook kan wat je in het buitenland kan. Ze verwachten dat je goed presteert. Maar je wint niet altijd, je verliest wel eens van mensen waar je van behoort te winnen. En dat kan ook in Nederland gebeuren.”

Dat WCT-circuit was het voorbeeld van de huidige professionele toernooien. Met strenge regels. Hofmeester herinnert zich dat hij zijn grootste publiekstrekker terecht moest wijzen. Tom Okker verscheen de eerste ronde met een tas en een trainingspak met reclame van Gerard de Lange, een handelaar in witgoed die bekend stond om stunts. De volgende dag sprak Hofmeester Okker vermanend toe. En verdween de reclame weer. Soepeler stelde hij zich op tegenover Laver, tweevoudig grand-slamwinnaar, die op een ochtend weg was. Laver bleek in Stockholm een demonstratiepartij te spelen en kwam te laat terug. “Ach, dan schuif je wat met wat wedstrijden.”

De 48-jarige Okker won in 1974 en bereikte in 1972 en 1975 de finale. Hij is met 29 toernooizeges in het enkelspel en 78 titels in het dubbelspel de beste Nederlandse tennisser ooit. Hij had in 1968 de finale van de US Open bereikt op Forest Hills. Ondanks een nederlaag tegen Ashe, kreeg hij van zowel George MacCall, die de oude profs, zoals Laver, Rosewall en Stolle onder contract had, als van Lamar Hunt een contract aangeboden. Hij tekende bij Hunt die hem een inkomen van minimaal duizend dollar per week garandeerde.

Het was de bestaanszekerheid die tot dan toe had ontbroken. Okker was al in 1963 de wereld ingetrokken. In dat jaar betaalde het Van der Kar-fonds een tocht door Zuid-Afrika. Daar logeerde hij bij mensen thuis en liftte hij met Frew MacMillan van het ene naar het andere toernooi.

Persoonlijke sponsors ontbraken in de jaren zestig nog. Al kreeg hij van Dunlop gratis rackets en van Fred Perry gratis shirts. “Dat was een hele gebeurtenis. Daar stonden alle topspelers voor in de rij. Op Queens, de week voor Wimbledon mocht je je spullen ophalen. Zes witte shirts, twee gekleurde shirts, twee broekjes, een trui, een slipover en zes paar sokken. Dan werden je initialen op je shirt gezet. De spelers waren dolblij dat ze gratis shirtjes kregen.” Okker had ook geen coach. “Tegenwoordig heeft iedere speler een hele entourage. Ik had nooit iemand die meereisde, buiten mijn vrouw. Je trainde met je dubbelpartner (Marty Riessen) of de anderen uit het toernooi.”

Okker speelt nog veteranentoernooien, zoals Wimbledon, en zal deze week in Rotterdam gaan kijken. “Tegenwoordig wordt er met de nieuwe materialen en nieuwe rackets harder geslagen dan vroeger. Daardoor hebben spelers minder tijd om allerlei soorten slagen uit te voeren. Omdat ook spelers achterin keihard blijven slaan met groundstrokes, ontbreekt bij velen een echt goed volley. Maar Edberg, Sampras en Krajicek zijn goede uitzonderingen.”

Okker stond vele jaren in de top tien van de wereldranglijst. In 1973 reikte hij zelfs tot de derde plaats. Hij moet toegeven dat het nu moeilijker is daar terecht te komen. “Er zijn veel meer spelers. Wij trokken de wereld rond met vijftig man. Nu moet je veel talent hebben en hard werken om bij de bovenste tweehonderd te komen. In Nederland had ik geen concurrentie. Er was helaas niemand die internationaal mee kon. De Davis Cup is een belangrijk toernooi, maar dat heeft nooit iets voor mij betekent omdat je twee goede spelers nodig had. Dat is een van de dingen die ik gemist heb in het tennis. Nu kunnen ze dat goed maken. Nu zijn er vijf goede spelers. Als ze allemaal in vorm zijn op hetzelfde moment kunnen ze een heel eind komen, kunnen ze de finale misschien wel een keer winnen.”

Okker is na zijn carrière niet in het tennis blijven hangen. Hij handelt in kunst, heeft een galerie in de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam. Het coachen van jong talent liet hij aan anderen over. “Ik had genoeg gereisd. Als je gaat coachen, begin je weer helemaal opnieuw. Moet je al die wedstrijden aflopen.” De prestaties van Krajicek volgt hij van afstand. De jonge landgenoot, die vanaf maandag de kans krijgt om in het ABN Amro-toernooi de tweede Nederlandse winnaar te worden na Okker, heeft er volgens Okker goed aan gedaan een conditietrainer aan te trekken. “Hij kan nog werken aan zijn snelheid op de baan en aan zijn voetenwerk. En vooral aan zijn zelfvertrouwen op gras. Hij moet gaan geloven dat hij vreselijk goed op gras kan tennissen. Vorig jaar zei hij nog: "ik vind gras niet lekker'. Maar het spel van Krajicek is ideaal voor gras. Hij heeft ook zeker het potentieel een grand-slamtoernooi te winnen.”