Adviesbonanza met Westers geld in Oost-Europa

Het Westers advieswezen is uiterst actief op de prille Oosteuropese markt. Geld, uit Westerse fondsen, speelt geen rol. In de bonanza van de afgelopen jaren zag menig deskundige kans meer of (vaak) minder bruikbare adviezen te slijten. Gaandeweg komt er tekening in de behoeften van Oost-Europa.

Het centrum van Boedapest was gehuld in een niet ongebruikelijke stinkende smog toen minister Maij-Weggen van verkeer en waterstaat onlangs de burgemeester van de Hongaarse hoofdstad bezocht. De Nederlandse bewindsvrouw bracht een geschenk mee dat toonde dat zij de zorgen van het stadsbestuur over de luchtvervuiling deelde. Ze schonk een studie op Nederlandse kosten naar de mogelijkheden om meer fietsen in Boedapest te gebruiken.

Sinds het einde van de communistische regimes in 1989 stelt West-Europa de Oosteuropese landen de meest uiteenlopende kennis ter beschikking. Volgens Alan Mayhew, hoofd van het EG-bureau voor economische en technische hulp voor Midden- en Oost-Europa (Phare) worden de Oosteuropese landen ermee overspoeld. “Ze krijgen zoveel aanbiedingen van technische hulpverlening, dat ze het niet meer kunnen verwerken. Daarom richten wij onze hulp in toenemende mate op de daadwerkelijke realisering van plannen, waarbij we vooral investeringen willen stimuleren.”

Maij-Weggens geschenk aan Boedapest bevatte twee elementen die net zo typerend zijn voor Nederland als de klomp en de molen, namelijk de fiets en het rapport met beleidsadviezen. Volgens cijfers die de Raad van organisatie-adviesbureaus hanteert, is in Europa na Groot-Brittannië geen land zo dicht bezaaid met adviseurs als Nederland. In Groot-Brittannië is het aandeel van consultants in het bruto binnenlands produkt 2,56 promille, in Nederland is het 2,21 promille. Ter vergelijking: voor Zweden en Duitsland zijn de cijfers respectievelijk 1,62 en 1,38. Tot de vele verklaringen hiervoor behoort dat Britse adviesbureaus veel werk doen in voormalige koloniën en dat Nederlanders, gefinancierd met subsidies van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking, een uitgebreide adviespraktijk in de Derde Wereld hebben.

In Oost-Europa is sinds 1989 een nieuwe markt ontsloten voor adviseurs. Westerse landen reserveerden potten geld voor bijstand van Oosteuropese landen met Westerse kennis bij de omschakeling van een centraal geleide planeconomie naar een markteconomie. Tijdens de algemene euforie over de nooit eerder op zo grote schaal uitgevoerde volledige economische omschakeling deden adviseurs van alle denkbare soorten een beroep op de beschikbare geldpotten.

A.J. van Overbeeke, directeur buitenlandse economische betrekkingen van het ministerie van economische zaken, vertelt dat aanvankelijk een sfeer heerste van “laat duizend bloemen bloeien”. Men dacht dat alles mogelijk was. Als coördinator van het Nederlandse Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO), een kleine pot van zestig miljoen per jaar voor technische hulp aan Albanië, Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Tsjechië en Slowakije, werd hij geconfronteerd met “een waterval van plannen”.

Iedereen ging op reis naar Oost-Europa, van commissarissen van de Koningin tot gemeentebestuurders die door middel van jumelages banden legden met collega's in de landen van het voormalige Oostblok. Vele reizigers kwamen terug met suggesties voor hulp van de uiteenlopende ministeries die zich het lot van Oost-Europa aantrokken.

Pag 14: Praktijkhulp in plaats van advies; "Letland is nog niet rijp om de adviezen te begrijpen'

“Iedereen lobbyde”, zegt Van Overbeeke, wiens ministerie de acties van alle betrokken departementen coördineert. Hij stelt tevreden vast dat “rigoureus het mes” in de zaken is gezet. Alles gaat nu volgens hem vakkundig : prioriteiten per land zijn vastgesteld, geen project gebeurt zonder dat een Oosteuropees land er zelf de voorkeur voor heeft uitgesproken en het moet om zaken gaan die minimaal 75.000 en maximaal 2 miljoen gulden kosten. Hij vindt, net als Mayhew van de EG, dat het tijd is Oost-Europa minder van studies te voorzien en hulpprojecten meer te richten op het aantrekken van investeringen.

Mayhew, die bij Phare werkt met een hulpprogramma waarvoor een jaarbudget staat van één miljard ecu (ongeveer 2,2 miljard gulden), is econoom, afkomstig uit de persoonlijke denktank van de voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors. Hij was in 1991 tijdelijk adviseur van de Poolse premier. In die functie zag hij stapels rapporten van Westerse consultants ongebruikt in Poolse bureauladen verdwijnen.

Soms had dat met de kwaliteit van de adviezen te maken. In de wereld van Westerse hulpverleners in Oost-Europa wordt spottend gesproken over onervaren adviseurs, die gewichtig doen met een sausje sociologie uit de jaren zeventig en wier rapporten vooral tot ongeluk leiden.

Agnes Nádházi, van het Hongaarse ministerie voor internationale economische betrekkingen, heeft overzicht van alle hulp die wordt geboden door de landen van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso). Volgens haar loopt de kwaliteit van het werk van Westerse consultants erg uiteen. “Bovendien”, zegt ze, “gebeurt het nogal eens dat deskundigen uit West-Europa helemaal niet meer kennis hebben dan in Hongarije al aanwezig is. Ook is het wel eens het geval dat wij meer kennis bezitten dan buitenlanders.” Op de begroting van het Nederlandse ministerie van binnenlandse zaken is dit jaar 247.000 gulden gereserveerd voor werk dat het sinds kort geprivatiseerde Rijks Opleidingsinstituut (ROI) in het kader van het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) wil doen. Drs. D.J. van Alkemade, een senior opleidingsmanager van het ROI die meestal Nederlandse ambtenaren traint, zegt dat zijn instituut zich tot Oost-Europa voelt aangetrokken uit idealisme, omdat er geld voor beschikbaar is en omdat het aantrekkelijk is om ook eens ergens anders dan in Den Haag te werken. Twee jaar geleden heeft het ROI in Praag en Bratislava ambtenaren getraind in de organisatie van informatievoorziening. Maar het noodzakelijke vervolg van dit project is achterwege gebleven omdat de helft van de opgeleiden intussen uit overheidsdienst is ontslagen.

Ook in Roemenië wilde het ROI ambtenaren opleiden. Een groot project werd voorbereid in overleg met Binnenlandse Zaken. Van Alkemade : “Maar toen ik naar Roemenië wilde gaan om spijkers met koppen te slaan, was geen van mijn contactpersonen nog te vinden.”

Nu heeft hij iets beters gevonden: de versterking van het openbaar bestuur in Letland. Van Alkemade heeft voorgesteld om met een miljoen gulden PSO-geld in Letland ambtenaren te trainen in de ontwikkeling van beleid. Daarbij moet de vraag centraal staan waarop moet worden gelet bij een democratische samenleving en hoe moet worden omgesprongen met in Nederland bekende zaken als het maatschappelijk middenveld en sociale partners.

Tot nu toe is geen enkele vertegenwoordiger van het ROI in Letland een kijkje gaan nemen. Het overleg met de Letse autoriteiten over de voorbereiding van het project is per telefoon en fax gebeurd. Van Alkemade vindt dat wel “lastig”. Hij heeft er geen idee van in welke taal de training zou moeten plaatshebben en of er tolken nodig zijn, weet niet over welke faciliteiten hij in Letland kan beschikken en is ook onbekend met het opleidingsniveau van de Letse ambtenaren waarbij hij met de training zou moeten aansluiten. Hij hoopt in maart te horen of zijn project in het kader van PSO wordt gefinancierd en droomt er al van om zo'n training ook in Estland te beginnen. Mr. Peter Meyer Viol werkt tijdelijk in de Letlandse hoofdstad Riga als adviseur privatisering voor de minister van industrie en energie, een project dat door Nederland in het kader van PSO wordt betaald. Hij beschouwt zichzelf niet als consultant, maar als “een doener”. Meyer Viol heeft langdurige ervaring met het bedrijfsleven. Hij was onder andere lid van de raad van bestuur van de Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken, voorzitter van de Maastrichtse Kamer van Koophandel en directielid van de Treuhandanstalt, de organisatie die zich bezighoudt met de privatisering van de voormalige Oostduitse industrie. Hij zegt “moeite” te hebben met consultants in een land als Letland.

Op zichzelf heeft hij geen bezwaar tegen adviesbureaus. Hij heeft er zelf ook genoeg van gebruikgemaakt. Maar het is volgens hem nog veel te vroeg om consultants naar Letland te sturen. “Het land is nog niet rijp om de adviezen te begrijpen”, zegt hij. “Er worden rapporten uitgebracht waarin precies staat wat je moet doen. De toepassing van de adviezen wordt overgelaten aan mensen die geen enkele ervaring hebben met een vrije markt.”

Volgens hem wordt bij de hulp aan Oost-Europa te veel uitgegaan van een leraar/leerling verhouding, zoals men dat is gewend bij ontwikkelingshulp. “Je kunt niet zomaar mensen uit Afrika naar Oost-Europa sturen”, zegt hij. Men realiseert zich te weinig dat Oost-Europa, in tegenstelling tot Derde Wereld-landen, veel hooggekwalificeerde krachten heeft.

Voorbeelden van rapporten die in laden verdwenen kent Meyer Viol al van de Oostduitse Treuhand. Met een eerste advies van zo'n 150.000 gulden voor de herstructurering van de Oostduitse papierindustrie wist niemand iets te beginnen, dus het verdween in een kast. Bij een Oosteuropees ministerie waar niemand ervaring heeft met de markteconomie, weet men doorgaans niet wat men aan moet met een ambtenaar die in de praktijk wil brengen wat hij op een cursus in West-Europa heeft geleerd.

Meijer Viol pleit daarom voor praktischer hulp, dat wil zeggen voor uitzending van ervaren krachten als hijzelf die op gelijkwaardige basis met Oosteuropeanen samenwerken. “Zo kunnen de mensen ervaring opdoen, dat is geen zaak van een cursus van twee weken.” Als voorbeelden noemt Meyer Viol samenwerking van ervaren mensen uit de Rotterdamse haven met plaatselijke functionarissen om de problemen met olieoverslag, chemische industrie en milieuverontreiniging in Oostzeehavens aan te pakken.

Het Rotterdamse containeroverslagbedrijf ECT heeft al vier keer in samenwerking met andere organisaties geadviseerd in Oost-Europa, onder andere voor de modernisering van de havens van Boedapest in Hongarije en van Tallinn in Estland. Ook ECT heeft de ervaring dat de resultaten van een studie, vastgelegd in een rapport, voor altijd in een kast kunnen verdwijnen. Het komt bovendien voor dat dubbel werk wordt verricht. Dan wordt advies gevraagd om een tweede opinie te hebben, of komt na ECT een ingenieursbureau de zaak nog eens onderzoeken.

Uitgangspunt voor ECT is daarom, aldus een woordvoerder, dat het Oosteuropese landen uitsluitend laat profiteren van zijn ervaring als vaststaat dat het daarvoor wordt betaald in harde valuta - die alleen uit een Westerse subsidiepot kan komen - en dat de contacten die door een project worden gelegd op de lange duur van nut kunnen zijn voor ECT zelf of voor de hele Rotterdamse haven. Idealisme is daarbij niet aan de orde.