A jolly good fellow

De William and Mary Lecture die premier Lubbers deze week in Cambridge hield, was volgens de Nederlandse correspondenten in Londen voor het grootste deel onverstaanbaar doordat de geluidsinstallatie ter plaatse defect was. De Nederlandse premier liet zich er niet door van de wijs brengen en droeg zijn Europese vooruitgangsgeloof onverstoorbaar uit. Het was sneu voor hem dat hij de omstandigheden tegen had, omdat het de eerste lezing was die onder die naam in één van de oudste en meeste gewijde auditoria van Cambridge werd gehouden. Maar welbeschouwd was het een blessing in disguise dat de techniek hem in de steek liet. Het was maar goed dat zijn Britse gehoor, op de eerste rijen in de zaal na, althans verstoken bleef van het historische deel van zijn toespraak, want wat hij daarover opmerkte, getuigde niet van overdadig veel kennis van de Nederlandse-Engelse betrekkingen in de voorgaande driehonderd jaar, noch van affiniteit met de staatkundige materie die de naamgeving van de lezing toch enigszins vooronderstelde.

Lubbers' Europese gezindheid kennen ze in Engeland intussen wel en zijn geloofsbelijdenis dienaangaande bevatte dan ook geen gezichtspunten die hij in zijn lange kruistocht voor de Europese eenwording niet al eerder naar voren had gebracht. Het zou interessanter zijn geweest als de Nederlandse minister-president ten overstaan van zijn vele historici tellende Britse gehoor zijn positie tegenover de allerminst rimpelloze gemeenschappelijke geschiedenis van de beide zeemogendheden uit de zeventiende eeuw zou hebben bepaald.

Over de Nederlandse invloed op de Engelse staatkunde in de tijd van William en Mary zijn aan beide kanten van de Noordzee bibliotheken volgeschreven, maar dat belet een Nederlandse minister-president die in 1993 over die invloed spreekt niet daar onbevangen zijn eigen oorspronkelijke visie op te geven - als hij die tenminste heeft. Er is trouwens nog nooit een Nederlandse minister-president geweest die buiten het kader van (door ambtenaren geschreven) gelegenheidstoespraken eigen inzichten over deze hoogst belangwekkende episode uit de geschiedenis tot uitdrukking heeft gebracht.

Het debat over de Europese integratie zou er een dimensie bij krijgen als de ene regeringsleider een diepgaande kennis van de geschiedenis van de andere zou tonen. De Britse historici onder Lubbers' toehoorders zouden er vast geen aanstoot aan hebben genomen wanneer de Nederlandse premier hen zou hebben verrast met een paar staatkundig relevante opmerkingen. Over de Bill of Rights, die nauwelijks aan King William te danken was, maar in elk geval lang niet zoveel invloed had op de ontwikkeling van het parlement als de veel belangrijker Act of Settlement, bracht hij in Cambridge niet meer dan cliché's te berde. En wat hij daarover zei, hield ook nog een reusachtige overschatting van de rol van de Nederlanders in.

Er is geen enkele reden om de Bill of Rights als een Nederlandse prestatie van wetgevingstechniek voor te stellen. Enig vertoon van trots (“I am proud that the Dutch played such an important part in bringing about this historic event”) is hier volkomen misplaatst. De Nederlanders hebben niets bijgedragen aan de organisatie van het Britse parlement in 1688, noch aan de secularisatie van het Engelse koningschap, dat na (en niet door) de bevordering van de Nederlandse stadhouder tot de troon van Engeland (en Schotland en Ierland) een juridische creatie was geworden, die niet langer als droit divin werd beschouwd. Het was uit een oogpunt van defensiebelangen van de Republiek en voor de Europese evenwichtspolitiek van grote betekenis dat een Nederlandse protestant een katholiek (nog wel zijn schoonvader) verdrong op de Engelse troon, maar ook in die gebeurtenis hadden "de Nederlanders' geen enkel aandeel.

Lubbers zou een markantere bijdrage aan de discussie over de Europese geschiedenis (en de culturele identiteiten) hebben geleverd wanneer hij als katholiek politicus enige principiële noten over de Nederlands-Britse geschiedenis zou hebben gekraakt. Katholieken kunnen met de protestantse Engelse constitutie van 1688 immers niet veel op hebben. De verjaagde koning Jacobus II werd, met de instemming van zijn protestantse Nederlandse schoonzoon, als exponent van een jezuïetenkliek in het archief bijgezet en de toekomstige koningen (met inbegrip van Willem III) moesten zich in een officiële verklaring tegen het sacrament van de transsubstantiatie uitspreken.

Een Nederlandse katholieke minister-president die in Cambridge op principiële gronden tegen dergelijke antipapistische staatsstukken bezwaar zou hebben gemaakt, zou het hart van vele Engelsen, en niet alleen de katholieke, gestolen hebben. Een Nederlandse premier die zegt: Dat pik ik niet, zou zijn kansen op een Britse ondersteuning voor zijn kandidatuur voor het voorzitterschap van de Europese Commissie daarmee beter hebben gediend dan met het uiten van zouteloze complimenten. Hoe weinig de meeste Britse politici ook met het Europese Continent op hebben, van excentrieke buitenlanders houden ze in het algemeen wel.

De Nederlandse premier zou zelfs de show hebben gestolen als hij de legitimiteit van de troonsbestijging van Willem III in twijfel had getrokken. De Engelsen praten daar liever overheen, maar daarom zou het des te prikkelender zijn geweest als ze door een Nederlandse Europeaan, wiens geschiedenis hem daartoe de machtiging geeft, op hun constitutionele fraude waren gewezen. Het is hachelijk in een land zonder geschreven grondwet een historische ongrondwettigheid aan te tonen, maar het zou voor het debat aardig zijn geweest wanneer Lubbers een poging daartoe zou hebben gedaan. Nadat Jacobus was verjaagd, verklaarde het Lagerhuis de troon vacant. Maar de constitutie kent dat begrip strikt genomen niet. Het Lagerhuis besefte dat zelf ook wel en vond er wat op: het liet eenvoudig de eisen van de praktijk triomferen over het recht. Een Nederlandse premier die, ook driehonderd jaar na dato, daartegen zou zijn opgekomen, zou het in Engeland tot jolly good honorary fellow hebben gebracht.