Zelfs fabrieken kregen bij Loeber frisse kleur

Tentoonstelling: Lou Loeber - Utopie en werkelijkheid. T/m 14 maart in het Singer Museum, Laren. Open: di-za 11-17u, zo 12-17u. Catalogus ƒ 29,50.

"Juffrouw Loeber, ik wou dat u zich eens vergaloppeerde.' Deze opmerking van een van haar leraren op de Rijksakademie, Jan Bronner, maakte indruk op de schilderes Loe Loeber. In haar Herinneringen die in 1980 verschenen bij een tentoonstelling in het Centraal Museum Utrecht, voegt zij er als verklaring aan toe dat zij in die tijd nog angstvallig en precies naar het voorbeeld werkte. Pas in het begin van de jaren twintig toen ze in een vereenvoudigde, bijna abstracte stijl ging schilderen, maakte zij zich los van het academische standpunt. Toch geven de schilderijen en tekeningen van Loeber die tot en met 14 maart in het Singer Museum in Laren te zien zijn, niet de indruk van iemand die de teugels laat vieren - integendeel.

Juist de vroege composities zijn veelal symmetrisch of volgens een mathematisch schema opgebouwd met diagonalen, horizontalen, verticalen en cirkelfragmenten. Binnen dit stramien van lijnen blijft het onderwerp - landschap, stadsgezicht, stilleven - duidelijk herkenbaar. Loebers werkwijze is goed te volgen op kleine voorstudies - bij sommige heeft ze zelf een toelichting geschreven. Zo werd een Stilleven met hazelaarskatjes (1934) pas "een sluitend geheel door uit te gaan van de gulden snede'. Op grote potloodtekeningen staan in elk vlakje letters en cijfers die verwijzen naar een lijst kleuren. Iemand die een beetje handig is en beschikt over de juiste verf zou zijn eigen Loeber kunnen maken.

Loeber, een overtuigd socialiste, heeft deze manier van werken ontwikkeld om zelf haar doeken te kunnen vermenigvuldigen. Een vriendschap met de nu vergeten schilder en journalist Toon Verhoef (pseudoniem van Karel Luberti), die net als Loeber op de grens van Blaricum en Laren woonde, bracht haar op dit spoor. Via hem leerde ze het werk en de ideeën van Stijl-kunstenaars als Mondriaan en Van der Leck kennen en verdiepte ze zich in het kubisme. Vooral het boek van de Franse schilder Albert Gleizes uit 1920, Du cubisme et des moyens de le comprendre, was voor haar belangrijk. Kubistische schilderijen waren door de sterk vereenvoudigde vormen en kleuren bij uitstek geschikt voor vermenigvuldiging. Door meerdere exemplaren te maken zou de prijs laag blijven en de kunst bereikbaar voor gewone mensen, zo redeneerde Gleizes. Loeber en Verhoef waren een van de weinigen die dit ideaal vanaf 1922 ook daadwerkelijk in praktijk brachten. Een andere uitzondering was de constructivist en Bauhaus-leraar Moholy-Nagy die, eveneens in 1922, bij wijze van experiment telefonisch vijf schilderijen bij een emaillefabriek bestelde. De werktekening was zo gestandaardiseerd dat deze tegelijk mondeling kon worden doorgegeven. Volgens Marente Bloemheuvel, die deze expositie en de catalogus samenstelde, bestaan er van de meeste schilderijen van Loeber wel twee of drie exemplaren, van een enkele uitschieter zelfs achttien! Het is jammer dat hiervan in Laren niets te zien is. En wat voor problemen rijzen bij het vaststellen of een werk eigenhandig is of niet?

Loeber was van 1927 tot 1934 actief betrokken bij de Socialistische Kunstenaars Kring waarvan niet alleen beeldend kunstenaars lid waren, maar ook musici, architecten en schrijvers. Over de vraag wat socialistische kunst was, bestond binnen de SKK verschil van mening. De schilder Peter Alma vond dat de klassenverhoudingen duidelijk moesten worden uitgebeeld. Loeber was voorstander van een "harmoniemodel': haar schilderkunst stond in dienst van het streven naar een harmonische, evenwichtige samenleving. Het ging niet zozeer om het onderwerp, maar om de verbeelding in vorm en kleur. Zelfs smerige, rokerige fabrieken kregen bij haar frisse, heldere kleuren. Loeber veranderde de "gore werkelijkheid (-) in een beeld van de harmonie die ieder mens in zichzelf kan vinden als hij zich ervan bewust wordt'.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte het werk van Loeber in de vergetelheid. Vanaf 1970 tot haar dood in 1983 op 88-jarige leeftijd nam de belangstelling terecht weer toe. De schilderijen zijn van een sprankelende, overtuigende eenvoud. Toch heeft dit afgemeten socialistische harmoniemodel ook iets braafs en benauwends: het doet verlangen naar dissonanten die, al dan niet in galop, de rust komen verstoren.