Waterschap wil geen lagere rivierdijk; "Mensen moeten voor minder veiligheid meer gaan betalen'

TWELLO, 19 FEBR. Het waterschap Oost-Veluwe heeft felle kritiek op het kabinetsbesluit over de rivierdijken. Het kabinet wil dat de dijk langs de linker IJsseloever, die in zijn geheel binnen de grenzen van het waterschap ligt, enkele tientallen centimeters lager wordt dan andere rivierdijken in Nederland. Watergraaf A. van Vliet-Kuiper vraagt zich af “wat de rechtvaardiging is van een kans op overstroming die tweeëneenhalf keer hoger is dan elders”.

Vorige week werd bekend dat het kabinet de aanbevelingen van de commissie Boertien over rivierdijkversterkingen in grote lijnen overneemt. Een belangrijke aanbeveling van de commissie is dat de veiligheidsnorm wordt gesteld op één overstroming in 1250 jaar. Alleen gebieden waar veel vluchtmogelijkheden zijn, de economische schade bij overstroming gering is en waar het water na een doorbraak niet erg hoog komt te staan, komen in aanmerking voor een veiligheidsnorm van één overstroming in 500 jaar. Omdat bij deze lagere norm een minder robuuste dijk nodig is, worden landschap, natuur en cultuur dan meer ontzien. De commissie-Boertien en in navolging daarvan nu ook het kabinet denken hierbij in het bijzonder aan de linker IJsseloever, die grenst aan het snel oplopende heuvellandschap van de Veluwe.

“Het kabinetsbesluit heeft het paradoxale gevolg dat een aantal ingelanden van het waterschap meer moet gaan betalen voor minder veiligheid,” aldus watergraaf Van Vliet-Kuiper. De waterschapslasten worden gedragen door de bewoners van het gebied dat door de dijk wordt beschermd. Door het oplopende heuvellandschap dringt het water bij doorbraak van een lagere dijk minder ver op. Bij een veiligheidsnorm van één overstroming in 500 jaar moeten de waterschapslasten daarom over minder mensen worden omgeslagen.

Van Vliet-Kuiper wijst er op dat het in feite gaat om een drievoudige lastenverzwaring. “Het omslaggebied wordt kleiner, maar daarnaast moet het waterschap ook meer kosten maken voor de uitgekiende dijkverzwaring die het kabinet nu wil, maar waarvan het rijk niet meer dan zeventig procent subsidieert.” In de derde plaats heeft het kabinet de aanbeveling van de commissie-Boertien om niet te korten op de subsidie voor het onderhoud van de dijken, niet overgenomen. Deze subsidie zal worden gehalveerd. “Doordat wij natuurvriendelijk onderhoud plegen en de dijken niet meer als weidegrond verhuren, worden die kosten steeds hoger.”

De extra waterschapslasten zullen vooral de boeren treffen. Voor een middelgrote boer met honderd hectare grond zullen de lasten van zo'n driehonderd gulden per jaar omhoog gaan naar ongeveer 450 gulden, maar met het vorderen van de werkzaamheden loopt dit bedrag jaarlijks verder op. “Over tien jaar zou het wel eens 1.500 gulden kunnen zijn.”

Watergraaf Van Vliet-Kuipers vindt het kabinetsbesluit des te vreemder omdat van de 37 kilometer dijk in het waterschap die nog moet worden versterkt (zo'n 30 kilometer is al klaar), ongeveer driekwart de hoogte heeft die nodig is voor een veiligheidsnorm van één overstroming in 1250 jaar. “Moeten we die stukken dijk dan gaan afgraven? Door ons natuurvriendelijk onderhoud en doordat we altijd al hebben geprobeerd de dijk zo weinig mogelijk te verbreden, zitten daar ecologisch heel waardevolle delen bij. Dit lijkt me geen goede manier om landschap, natuur en cultuur te sparen.”

Volgens Van Vliet-Kuipers wordt de linker IJsseloever door het kabinet nu gebruikt “als gebaar”: “Het kabinet wil met dit besluit aangeven dat men genuanceerd tegen de dijkversterking aankijkt. Maar intussen schiet niemand iets op met een lagere dijk.” Ze wijst er op dat door het verschil tussen de 30 kilometer dijk die al klaar is en de 37 kilometer die nu een lagere veiligheidsnorm krijgt opgelegd, deze laatste stukken dijk bij een overstroming als overlaat gaan fungeren. “Het staat nu al vast dat de Deventer wijk "De Hoven' bij deze veiligheidsnorm onder water zal lopen.”