Verspreide geschriften van Anneke Brassinga; Een druppel kwikzilver in een zee van spiegeling

Anneke Brassinga: Hartsvanger. Uitg. De Bezige Bij, 253 blz. Prijs ƒ 38,-

Een hartsvanger is een lelijk ding, een effectief wapen, tweesnijdend, uit op verwonding en dood. Het boek dat Anneke Brassinga onder die titel het licht heeft gegeven is even doelgericht en effectief, maar precies tegenovergesteld in werking. Het is een van de meest hartverwarmende boeken die ik in lange tijd gelezen heb.

Hartsvanger is een vreemd boek, van kaft tot kaft. Het voorplat toont de beschouwer het hart van een bundel graanhalmen, op het achterplat blijkt dat hart ingenomen door de schrijver zelf: ze zit decent in haar piereblootje in een mand met korenaren en het effect is overmeesterend. De te kleine mand, het uitzonderlijke van de situatie, de gelaatsuitdrukking van Brassinga, er is maar één interpretatie: de schrijver als pas uitgebroed vogeljong, naakt en onwennig en niet erg thuis maar ernstig van plan heel mooi te gaan zingen.

Brassinga is niet één vogel, maar een volière. Hartsvanger is een bundel "zeer verspreide geschriften'. Er zitten dagboeken in en brieven aan een geliefde, reisverhalen en verhandelingen over schrijvers, essays over het vertalen van boeken en gedichten en nog veel meer. Hoe zeer verspreid ook, de geschriften zijn het zelfportret van een samenhangende persoonlijkheid, vrij van alle gemakzucht en halfheid en ondanks alle deksels van de wereld bereid het onderste uit de kan te halen. "Liever blijf ik tierend tenondergaan', schreef ze onlangs in haar dichtbundel Thule. Mijn voorspelling is een andere: Brassinga duikelt nog koppeltje met andere verliefde duiven als de rest van haar generatie geplukt en gerimpeld in het bejaardenhok zit.

De ernst die ze van het bestaan maakt: Brassinga vertaalde Forster, Broch en Diderot niet alleen, ze ging in ze op, ging ze na, en terug naar India, naar het victoriaanse Engeland, naar Wenen en de ballingschap, naar de achttiende eeuw. Een mooie vertaling voegt een meesterwerk toe aan de eigen literatuur, vertalers lijven het beste van de wereld bij de eigen cultuur in. Eén slechte vertaling is dan ook een dubbele ramp. De vertalingen van Brassinga zijn evenzovele zegeningen.

Magie

Vertalen is voor Brassinga "een optimale interpretatie en reïncarnatie creëren en de lezer daarmee een paradoxale verbintenis te zien geven van magie en huiselijkheid'. Het is vlees en bloed van de schrijver worden, denken met je lichaam, uitbreiding van de erotiek. Brassinga is ook duidelijk verliefd op de schrijvers die ze vertaalt. Ze verdedigt Forsters levenswijsheid tegen de scepsis en de ironie van Bloomsbury en is daarin, zoals een geliefde betaamt, zeer onrechtvaardig. Ze ontwikkelt een ware Broch-obsessie, maar komt tevoorschijn met een van de mooiste vertalingen ooit gemaakt van Der Tod des Vergil en een van de mooiste essays over Broch in onze taal geschreven.

En wat zegt ze over Diderot en zijn Paradox sur le Comédien, de paradox van de acteur die het publiek in de ban van grote gevoelens moet brengen en dat alleen kan als hij zelf een volslagen gebrek aan gevoeligheid kan opbrengen: Diderot volslagen gevoelloos? “Neen. Men moet diep buigen voor een man die staand tussen twee spiegels, van groot gevoel en groot verstand, voortdurend zijn blik van de ene oneindige rij spiegelbeelden naar de ander laat gaan en zich tegelijkertijd een druppel kwikzilver in een zee van spiegeling weet.” Wat een prachtige zin, wat een rechte rug. Waar heb ik dat meer gezien? Is Brassinga de reïncarnatie van mevrouw Roland Holst?

De magie van een goed vertaler, jezelf en een ander zijn, je eigen en andermans tekst, brengt Brassinga ook over op de lezer. Lezen is vertalen. Hartsvanger is niet alleen een zelfportret, het richt zich direct tot de lezer. De dagboeken zijn voor hem geschreven, de liefdesbrieven zijn aan hem gericht. En je hebt de neiging terug te schrijven: ja goed, het museum van Edinburgh heeft twee Rembrandts, maar wat vond je van die gekke Vermeer, en van die twee wondermooie schilderijen van Raeburn? En je bent jaloers omdat ze een otter in het wild gezien heeft en opgelucht als het later een mink bleek te zijn (dommie). En van het eeuwig leven dat ze ooit, in een gedicht in Thule, aan Grumpke gaf, muizenjong, vondeling (3 cm lang, buik doorzichtig, begin van dons) lezen we nu het feitelijk relaas van slechts een paar dagen bestaan. En waarom voelt men toch in hemelsnaam die meest profane van transsubstantiaties in het gedicht "Brief uit Schotland' - “Je zwartwitte foto zal blozen/wanneer wij vervloeiend/en tastenderwijs weer/een afdruk maken - zilt/zweet veranderen in wijn” - bij het lezen aan den lijve?

Dat komt doordat Brassinga recht op het hart afgaat. Tijdens een verblijf in Schotland, aan tafel met andere schrijvers en haggis (schaapsmaag gevuld met long) etend - Brassinga eet alles; in India ook paan, onverdragelijk vreemd, maar kokhalzend stelt ze vast: "het is geproefd' - ontwaart ze zelfs kloten in de brei. Het antwoord van haar tafelheer was: “Anneke, you are going right to the heart of the matter.”