Verandering betekende instorting

Indien, zoals drs. H.A. Wurzner in een ingezonden stuk (9 februari) schrijft, het fascisme een “post-democratisch fenomeen” is - en daar valt veel voor te zeggen - dan is, paradoxaal genoeg, de vraag naar het wezen ervan actueler dan speculaties over een verschijnsel welks dood van veel recenter datum is: het communisme. Immers, aan het communisme is, in landen waar het aan de macht is geweest, nooit (behalve in Tsjechoslowakije) een langere periode van democratie voorafgegaan.

Dit betekent evenwel niet dat het niet uit historisch oogpunt interessant is na te gaan in hoeverre, omgekeerd, de democratie (die dan niet "schuldig' aan het communisme verklaard kan worden) bijgedragen heeft aan de val ervan. In de Frankfurter Allgemeine Zeitung werd daar onlangs over gedebatteerd.

Het debat werd geopend met een lang artikel van Sjlomo Avineri, hoogleraar te Jeruzalem. Hij veegde de vloer aan met al diegenen die, zoals Zbigniew Brzezinski, altijd hadden beweerd dat het communisme zich niet van binnenuit zou kunnen hervormen. Ook Jeane Kirkpatrick, die een onderscheid had gemaakt tussen autoritarisme, dat wèl, en totalitarisme, dat niet hervormbaar zou zijn, kreeg een veeg uit de pan.

De werkelijkheid heeft de onjuistheid van deze stelling aangetoond, zegt Avineri. “De jaren van 1989 tot 1991 hebben getoond hoe nutteloos deze analyse was en hoe verreikend het vermogen van de communistische landen was zich van binnenuit te veranderen, en wel - wat in 't bizonder verrassend was - grotendeels op vreedzame wijze.”

Avineri schrijft dit toe aan het feit dat het communisme, “ondanks zijn onderdrukkende natuur, een spruit van de Verlichting” was. “Het had een emancipatorische, universele boodschap (vandaar zijn grote aantrekkingskracht op vele intellectuelen in het Westen). Het was zijn praktijk, niet zijn oorspronkelijke theorie, die repressief was.”

Tegen deze visie komt dr. Assen Ignatow, medewerker aan het Oost-Europa-instituut te Keulen, in het geweer. Avineri, schrijft hij, haalt land en regime door elkaar. De verandering in het Oosten kwam inderdaad van binnenuit, maar van het land, de samenleving, de burgers, niet vanuit het regime.

Dat was vooral zo in de DDR, waar het regime moest wijken voor de massa's die riepen: “Wij zijn het volk.” Maar in de andere landen van Oost-Europa was dat niet wezenlijk anders. In de Sovjet-Unie moest het regime zelfs een staatsgreep als middel inroepen om, tevergeefs, aan de macht te proberen te blijven (op dezelfde manier waarop het, in oktober 1917, aan de macht was gekomen).

Zeker hebben de regimes, door de nood gedwongen, gepoogd zichzelf te veranderen, althans aan de veranderde omstandigheden aan te passen. Gorbatsjov is daar het grote voorbeeld van, al was Chroesjtsjov (1955-1964) hem daarin voorgegaan. Maar al die pogingen zijn mislukt. Avineri, aldus Ignatow, verwart de bedoeling te veranderen met het vermogen te veranderen. (Bovendien, zou je kunnen zeggen, wilden de hervormers, Gorbatsjov incluis, het systeem helemaal niet in die zin veranderen dat de partij er de macht door zou verliezen - en dat is juist de oorzaak van hun mislukkingen geweest.)

Wat nu de emancipatorische boodschap betreft die het communisme, als spruit van de Verlichting, zou hebben gehad - dat geldt, schrijft Ignatow, misschien voor het vroege marxisme, maar niet voor het leninisme. Bovendien was de Verlichting zeer heterogeen. Ook Robespierre was er een zoon van en meende, met zijn terreur, in haar geest te handelen.

Wie heeft er nu gelijk in dit debat? Ik hel over naar Ignatows interpretatie van het communisme, dat niet in staat bleek tot wezenlijke verandering. Maar ik breng mij daarmee zelf in een probleem, want ik heb altijd beweerd - zeker sinds de Praagse lente van 1968, zo niet al eerder - dat alle opstanden die er na de oorlog in Oost-Europa waren geweest - te beginnen met de Poolse en Hongaarse van 1956 tot en met die Praagse lente - voortgekomen waren uit rebellieën binnen de communistische partijen.

De bevolkingen, zo betoogde ik, waren, hoewel grosso modo anticommunistisch, veel te murw en ook te beducht voor Russische repressie om in opstand te komen. Het was pas toen zij zagen dat de partij zelf, de macht dus, in onzekerheid en onenigheid was geraakt, dat zij de moed vatten. Zo stichtte Chroesjtsjovs moedige poging om met Stalin af te rekenen veel verwarring binnen de communistische partijen en was zij dus indirect verantwoordelijk voor de troebelen van 1956.

Daaruit trok ik de conclusie dat, als het Westen geïinteresseerd was in veranderingen in het Oostblok - en dat moest het zijn - het de bevolkingen wel kon vergeten als geleiders van verandering, maar zich moest concentreren op contacten met de partijen, teneinde aldus het systeem van binnenuit te veranderen.

Hoe ziet die theorie er achteraf uit, nu het communisme gevallen is? Ook zij was, moet ik nu toegeven, te optimistisch, in zoverre als zij ervan uitging dat het systeem, zij het een handje geholpen door het Westen, veranderbaar was. Het is pas toen bleek dat ook Gorbatsjov, ondanks al zijn mooie woorden, niet in staat (en eigenlijk misschien niet bereid) was het systeem te veranderen - en dat bleek al vrij gauw - dat ik tot de overtuiging kwam dat het inderdaad niet van binnenuit te veranderen was.

Daarbij komt dat ik (met velen) te weinig rekening hield met de tijdsfactor, dat wil zeggen: met de snelheid waarmee het desintegratieproces, eenmaal begonnen, zich voltrekken zou. Met andere woorden: ook ik heb de innerlijke kracht van het systeem overschat. Er bleken geen helpende handjes uit het Westen - behalve de technologische (dus ook: wapen-)race, die de Sovjet-Unie op den duur niet kon volhouden - voor nodig om het in elkaar te laten zakken.

Conclusie: Ignatow heeft gelijk wat de onveranderbaarheid van het systeem betreft. Verandering betekende voor het systeem instorting, en dat is dan ook gebeurd. Maar anders dan Ignatow geloof ik niet dat de bevolkingen daar, behalve toen de uitslag al duidelijk was, veel toe hebben bijgedragen.

Zeker, het feit dat het volk in Midden- en Zuidoost-Europa anticommunisch bleef - in de Sovjet-Unie, waar het communisme dertig jaar langer aan de macht was, lag dat anders - moet diegenen in de partij die geen betonkoppen waren, aan het denken hebben gezet en bijgedragen tot de onrust binnen en, ten slotte, verzwakking van de partij. In zoverre, dus zeer indirect, heeft het volk de val van het communisme wel helpen bewerkstelligen. (De Sovjet-Unie is, het zij herhaald, een geval apart.)

Hetzelfde geldt min of meer voor de zogenaamd emancipatorische afkomst van het communisme. Aan te nemen valt dat er zo nu en dan wel communisten waren die daar gevoelig voor waren en dan voor onrust binnen de partij zorgden, maar wie kan, eenmaal aan de macht, werkelijk emancipatorisch blijven, dat wil zeggen: macht afstaan? Dat is een vraag waar niet alleen het communisme mee geworsteld heeft.