Thunderroad

Slam! Het dichtslaan van een glazen deur, een droge klap die hard aankomt op een lome zomermiddag, maakt direct een Amerikaanse droom in ons wakker, waarin het gevolgd wordt door het ongeduldig ruisen van rokken, het zwiepen van lange haren, het tikken van hoge hakken die over het hout van de veranda dansen, en een snel verwaaiende vleug Roy Orbison die op de radio ”Only The Lonely' zingt.

The screen door slams / Mary's dress waves / Like a vision she dances across the porch / As the radio plays. Het is de opening van Thunder Road, een song van Bruce Springsteen, misschien wel de song van Bruce Springsteen, want alles zit erin. Het beschadigde meisje dat nog altijd droomt van de ridder op het witte paard (a saviour to rise from these streets) maar bang is dat ze niet jong en mooi genoeg meer is. De jongen voor haar deur, die roept kom op (show a little faith, there's magic in the night) sta op van je spijkerbed; ik ben ook geen held, de enige redding die ik kan brengen is die van de rock 'n roll. (Well I got this guitar / and I learned how to make it talk) en de verlossing die onder de olievingerige motorkap van mijn gedeukte auto wacht, maar het is genoeg om hier weg te komen. (Climb in back / Heaven's waiting on down the tracks / Oh-oh come take my hand / Riding out to case the promised land). De jongen, het meisje, de gitaar en de auto, maar vooral het visioen dat hen in de songs van Springsteen verbindt: Het Beloofde Land, niet dat van Mozes maar dat van Walt Whitman en Chuck Berry, waar maar één weg naar toe gaat. Thunder Road / Lying out there like a killer in the sun. Aangelegd door dezelfde aannemer die de poort bij de toegang tot de Wet uit het verhaal van Kafka bouwde: speciaal voor jou, en wanneer je te lang aarzelt om er gebruik van te maken wordt hij voorgoed gesloten.

“Je had een film met Robert Mitchum die zo heette, over van die whisky-smokkelaars in het zuiden”, begint Springsteen zijn introductie bij Thunder Road, tijdens een concert in de Roxy in Los Angeles, in 1978. De tijd van zijn boze en desolate meesterwerk Darkness On The Edge Of Town, toen hij zijn artistieke baardgroei, wollen muts en lastige manager uit zijn eerste gloriedagen kwijt was en er met zijn kuif en tochtlatten in T-shirt of nerveus gesneden pak weer als een spijtoptant uit Martin Scorcese's Mean Streets hongerig, brutaal, dramatisch en op en top rock 'n roll uitzag. En terwijl de E-Street Band achter hem zacht murmelend als een beekje van verlangen op gang komt, vervolgt hij: “Ik heb de film zelf nooit gezien, alleen de poster in de lobby van de bioscoop.” Woorden uitgesproken met de geposeerde onverschilligheid van James Dean, schoorvoetend bijna, maar zwart op wit even definitief een leven samenvattend als een grafschrift. Niet zijn leven, maar dat van de imaginaire held van zijn songs, de hoofdpersoon uit de grote rock 'n roll roman à la recherche du temps perdu die zij samen vormen. In Thunder Road is dat de jongen die weet dat er geen tijd meer te verliezen is, wil hij niet hetzelfde lot ondergaan als al die anderen die zich ooit als sprookjesprinsen bij Mary aandienden maar er niet in slaagden haar raadsel op te lossen. There were ghosts in the eyes of all the boys you sent away / They hunt this dusty beach road in the skeleton frames of burned out Chevrolets. Mary hoort ze 's nachts soms haar naam roepen of, tegen het kille ochtendgloren, het geronk van motoren, maar als ze naar buiten rent, is er niemand. It's a town full of losers / And I'm pulling out of here to win. Eenmaal onderweg, wijst de weg zich vanzelf. “Ik ging er niet vanuit dat de plek waar deze song over gaat ook echt bestond”, neemt Springsteen zijn publiek in de Roxy dieper in vertrouwen, “maar op een keer reden we in Nevada door de woestijn, toen we langs een huis kwamen, zo'n Indiaanse kleihut, met een enorm portret van het opperhoofd Geronimo ervoor, met het woord ”Landlord' eronder en erboven een groot bord met de woorden ”Dit is het land van Vrede, Liefde, Gerechtigheid en Geen Genade'.” De zaal rilt van begrip. No Mercy, dat is hier, ten oosten van Eden, immers de prijs voor de vrijheid: we moeten vlakbij zijn. “En dat bord wees naar een smal zandweggetje, dat heette Thunder Road.” Waarop zijn stem wordt overspoeld door de E-Street Band, die inmiddels is aangewassen tot een machtige vloedgolf van toeters en bellen en drumslagen en gitaargekletter: het grote geluid dat van je hart een vuist maakt.

“Ik heb de film zelf nooit gezien, alleen de poster in de lobby van de bioscoop.” Een zinnetje waar Hemingway zijn jachtgeweer voor had laten staan. Niemand die het hem heeft horen zeggen zal denken dat Springsteen die film echt nooit gezien heeft (of de titelsong niet kent, waarmee Robert Mitchum in 1958 de top 100 haalde). Wat je herkent is de poëtische waarheid die schuil gaat achter al die bepaalde lidwoorden van de film, de poster en de hal van de bioscoop. De waarheid van de outsider die naar binnen kijkt, de underdog die opkijkt, de bewoners van de grot van Plato die omkijken. De waarheid van dromen die zo krachtig zijn dat ze je in leven houden, ook al weet je dat ze nooit werkelijkheid worden. Amerikaanse dromen.