Thomas Bernhard over Paul Wittgenstein; Zonder gekte geen filosofie

Thomas Bernhard: De neef van Wittgenstein. Een vriendschap. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom, 116 blz. Prijs ƒ 27,50.

Bij alle bewondering voor de filosoof Ludwig Wittgenstein past ook de tegenstem, de ontmythologisering. Thomas Bernhard was die tegenstem tot twee keer toe, de eerste maal in proza, de tweede keer op het toneel. Het was hem daarbij niet te doen om een rechtstreekse aanval op Wittgenstein. Eerder was de blinde dweepzucht met de filosoof, vooral in Engeland, hem een doorn in het oog.

Vanuit het perspectief van Wittgensteins neef Paul, even geniaal als de oom en volgens de familie even krankzinnig, schreef Bernhard twee harde, verbeten en tegelijkertijd ontroerende werken, in 1982 het prozaboek De neef van Wittgenstein waarvan de vriendschap tussen Thomas Bernhard en Paul Wittgenstein het onderwerp vormt, in 1986 het toneelstuk Ritter, Dene, Voss waarvan het derde karakter uit de titel, Voss, andermaal is geïnspireerd op Paul. Onlangs vertaalde Gerrit Bussink Wittgensteins Neffe in helder, zorgvuldig Nederlands zonder dat aan de weelde aan liaanachtig lange zinnen afbreuk werd gedaan.

De neef van Wittgenstein is het beste te omschrijven als een kroniek. De roman begint in 1967, wanneer zowel de ik-figuur als Paul Wittgenstein in een ziekenhuis zijn opgenomen. De eerste vanwege een vuistgrote tumor in de longen; de tweede om bij te komen van een zoveelste aanval van krankzinnigheid. Vervolgens beschrijft Bernhard in concentrische cirkels de vriendschap tussen hem en Paul. Aan het slot gaat Paul dood; Bernhard was op het ogenblik van zijn sobere begrafenis, waarbij slechts acht mensen aanwezig waren, op Kreta. Hij heeft het graf nooit bezocht.

De schrijver geeft een aaneenschakeling van gebeurtenissen en overdenkingen, van woedeuitbarstingen en ontwapenende gevoelsopwellingen. Bernhard schreef zoals een musicus componeert: hij gebruikt muzikale begrippen als expositie, doorwerking, vertraging etcetera. Op deze manier ordent hij wat anders door de lezer als ordeloos wordt ervaren.

Bernhard schreef de roman in twee toonsoorten. Enerzijds is hij in mineur, wanneer hij het tekortschieten van zichzelf als vriend beschrijft. Daartegenover staan de montere en hilarische passages in majeur, die de capriolen van Paul en de ik-figuur tot onderwerp hebben.

Haat

Er is een groot verschil met het toneelstuk Ritter, Dene, Voss. Daarin blijkt al snel dat niet de Wittgenstein-telg gek is, maar zijn beide zusters. In de roman is Paul Wittgenstein ongeveer om dezelfde reden gek als waarom Nietzsche dat was: “Zo is Pauls hoofd heel eenvoudig geëxplodeerd omdat hij het over de balk (uit zijn hoofd) gooien van zijn geestesvermogens niet meer kon bijbenen.”

We leren Paul kennen als een charmante man met een onuitputtelijke kennis van muziek (opera) en motorraces, die voortdurend op voet van oorlog leeft met de buitenwereld. Een van de meeslepende hoogtepunten van het boek is de roekeloze tocht die beide vrienden ondernemen om de Neue Zürcher Zeitung in handen te krijgen, die noch in Opper-Oostenrijk noch in Beieren te vinden is. Beiden hebben het in zich dan maar helemaal naar Zürich te rijden, want als ergens de Zürcher te koop is, dan toch daar. Bernhards proza is bijna extatisch in de weergave van de saamhorigheid tussen Paul en de verteller. Ze vinden elkaar in de haat tegen Oostenrijk, dat "onderontwikkelde geborneerde, achterlijke en tegelijkertijd op een echt afstotende manier grootheidswaanzinnige land'.

Op de achtergrond van de roman speelt een intrigerend probleem. Is Ludwig Wittgenstein nu wel of geen groot filosoof vergeleken met zijn neef Paul? De eerste publiceerde zijn ideeën wel, de tweede niet. Is dat laatste niet een daad van hogere grootsheid? Bernhard: “Slechts één enkele keer heeft Paul gezegd dat zijn oom Ludwig de grootste gek van de familie was geweest. De multimiljonair als dorpsonderwijzer, dat is toch pervers, vind je niet?”

Thomas Bernhard laat zijn grote bewondering doorschemeren voor Paul, die zijn filosofie niet publiceerde maar zijn filosofie was. Wat de beide Wittgensteins en Bernhard met elkaar verbindt, is een filosofische levenshouding. Daarmee is niet bedoeld dat ze antwoorden formuleren op de eeuwige vragen, wel dat ze filosofie definiëren als onophoudelijk doordenken. In Pauls leven er was nauwelijks een onderwerp "waarover hij niet zonder meer kon mee- en doordenken, integendeel'.

Eigenlijk is in dit ene zinnetje het gedachtengoed van het boek besloten. Paul eist van zichzelf en van zijn beste vriend "intensiteit', op elk gebied. Dat laatste leidt hen naar gevaarlijke contreien, want volgens Paul grenzen gekte en filosofie aan elkaar, sterker: zonder gekte, zonder doordenken tot het uiterste, geen filosofie. En Ludwig Wittgenstein? Die is volgens Paul groot geworden dank zij het buitenland, dat altijd gevoelig is voor aanstellerij.

De neef van Wittgenstein is geen traktaat, maar de kroniek van een vriendschap die elke keer opnieuw bevochten moet worden, net zo als de helderheid en zelfstandigheid van het denken. De tol die Paul Wittgenstein daarvoor betaalde, doet ons beseffen dat "filosofie' een levensgevaarlijke activiteit van de geest is.