Stijloefeningen in namaak-Engels The Shooting Party; Epigonisme en aanstellerij

Voorstelling: VSOP, door The Shooting Party (Theo Nijland, Han Oldigs en Coen van Vrijberghe de Coningh). Gezien: 17/2 in de Kleine Komedie, Amsterdam. Aldaar t/m 20/2, daarna elders.

The Shooting Party, de tot theaterattractie uitgegroeide hobby van drie artistieke duizendpoten, heeft zijn succes voornamelijk te danken aan de voertaal van de voorstellingen: Engels - soms de midatlantische variant uit de adult orientated rock, maar vaker de tongval van de upper class. Men vindt het knap dat ze die in veel Nederlandse oren zo bedrieglijk echt kunnen nadoen. En knap is het inderdaad, om er zo dicht bij in de buurt te komen. Maar wat mij ook in hun nieuwe show weer tegenstaat, is juist dat epigonisme. Alles is nagedaan van anderen, afgekeken van de angelsaksische voorbeelden. Aan de lopende band komen de popgroepen, singer-songwriters en componisten voorbij die model hebben gestaan en allemaal beter zijn dan The Shooting Party. Misschien vooral omdat die taal hun eigen taal is.

Kijk eens hoe knap wij zijn, luidt het motto van Theo Nijland, Han Oldigs en Coen van Vrijberghe de Coningh. Die houding maakt extra kritisch en lokt uit tot zout op alle slakken. Welnu, hun Engels is lang niet zo vlekkeloos als ze suggereren. Maar wat belangrijker is: het wordt niet gebruikt om er iets eigens mee te maken. De nummers, vaak in melodieus opzicht nogal steriel en schraal, slepen zich voort op de kracht van één leuk bedoeld zinnetje en klinken voor de rest als invuloefeningen. Het zijn stijlfiguren in plaats van statements. Zelfs als er sprake is van een veelbelovend begin - bijvoorbeeld bij een persiflage op een Amerikaanse loser die voorgeeft dat hij voor hetzelfde geld beroemd had kunnen zijn - wordt het uiteindelijk in een gekunsteld soort bombast gesmoord. En goed, een berijmd verslag van het afscheidsfeest van een aan Aids lijdende vriend maakt enige indruk, maar het was zonder de naar Noël Coward verwijzende fake-intonatie een heel stuk mooier geweest. De enige twee nummers die me bevielen (Too beautiful en It doesn't trouble me) waren, niet toevallig, de enige die zonder aanstellerij werden uitgevoerd.

Plus een derde. Want opeens, o wonder, wordt het allerlaatste lied in het Nederlands gezongen. Het gaat over een in ergernissen gestrande relatie en opeens valt alles op zijn plaats. De lamlendige sfeer is fraai getroffen, de woordkeuze is oorspronkelijk ("ik ben zo moe/ pak jij even mijn biezen') en voor het eerst klinkt het bij dit drietal alsof het recht uit hun hart komt. Geen wonder: dit is hun eigen taal en de wereld die ze bezingen, is geen namaak-wereld. Waarom dan toch eerst een hele avond in dat namaak-Engels?