Schurende tonen en een kabbelend geloof; De persoonlijke muziekhuishouding van Elmer Schonberger

Elmer Schönberger: De vrouw met de hamer & andere componisten. Uitg. De Bezige Bij, 291 blz. Prijs ƒ 45,-

Schrijven over muziek is onzin. Iedere recensent weet dat hij na een concert de machteloosheid voelt van de woorden waarmee hij zich moet verantwoorden voor zijn muzikale voor- of afkeur. Het liefst zou hij, bij wijze van illustratie, aan zijn recensie een cd'tje met voorbeelden willen toevoegen. Wat de muziekcriticus ook opschrijft, de componist zal zich in de soms vaardige, soms roekeloos gehanteerde metaforen niet of in ieder geval slechts ten dele terugvinden. En over dode componisten - en die komen in ons museale concertleven nu eenmaal veel vaker voor (er zijn er ook meer van) - is het al lang onmogelijk om in een handjevol woorden nog iets verrassends te zeggen. Ook de uitvoerder voelt zich vaak en soms terecht misdeeld, onbegrepen of met een enkel woord aan de kant gezet. En de luisteraar annex krantelezer is geneigd in een afwijking van zijn mening een bewijs te zien van de sleetsheid van de criticus.

Toch is het maar goed dat er over muziek wordt geschreven. Het stelt recensenten in staat om van hun hobby hun beroep te maken (hoewel, toegegeven, een enkeling zijn beroep ten onrechte als een hobby blijft beschouwen). Maar ook aan de andere kant van de pen van de criticus, daar waar de muziek ontstaat en tot klinken komt, wordt meestal verwachtingsvol uitgezien naar het commentaar. Als we in deze krant een muziekgenre, een symfonie-orkest of een concertzaal even uit het oog en vooral uit het oor dreigen te verliezen, is er altijd wel een concertbezoeker of een musicus die ons daar bozig over aanspreekt.

Daar zit je dan, op een regenachtige ochtend na een aardig maar ook weer niet zo bijzonder concert te staren naar een leeg beeldscherm. Was de toon van de violist briljant of stralend? Speelde het orkest subtiel of geraffineerd? Klonk Mozart niet te zoet en Brahms niet te vet? En zijn al deze woorden niet al lang versleten? Hoe snel raakt een beeldspraak uitgeblust en hoe hoog kan het metafoorgehalte van een recensie stijgen voordat de maat vol is?

Op zo'n moment zou je wensen alleen te hoeven schrijven als het je uitkomt, over muziek die je dierbaar is, in een uitvoering waarvan je bij voorbaat weet dat die je goedkeuring wegdraagt (zodat je tenminste daarover niet veel woorden hoeft vuil te maken). Op zo'n moment zou je met andere woorden Elmer Schönberger willen zijn, musicoloog en programmeur van het Holland Festival, die regelmatig in Vrij Nederland de rubriek Het Gebroken Oor mag vullen, waarin hij schrijft over nieuwe platen, maar alleen over die platen die toevallig samenvallen met zijn muzikale voorkeuren. Al tien jaar probeert Schönberger inmiddels enige orde te scheppen in zijn persoonlijke muziekhuishouding, zoals hij dat noemt, en een selectie van die ordening is nu gebundeld in De vrouw met de hamer & andere componisten.

Virtuoos

Is het zinvol om recensies, al zijn ze dan van het luxe soort, te bundelen en te herlezen? Mijn eerste reactie is: nee, de cd is verschenen, het verhaal is verteld en het muziekleven gaat door. Maar in het geval van Schönberger ligt het subtieler. Hij weet een betoog zo spits en virtuoos te formuleren, dat het iets tijdloos krijgt. Zijn recensies zijn eigenlijk kleine essays over componisten en hun werk. Bovendien waakt Schönberger ervoor om uit te weiden over uitvoeringen. "Borstregister en stemvoering zijn uit den boze', schrijft hij in het voorwoord. Zonder zich daar overigens aan te houden. Het is opvallend hoe hij ineens - en eigenlijk ook alleen dan - in authentieke recensententaal vervalt zo gauw hij over uitvoeringen begint. Hij is niet de eerste die constateert dat Dietrich Fischer-Dieskau "aan vocale glans verloren' heeft. En diens "kernachtige en indringende interpretatie' lijkt zo uit het recensentenwoordenboek overgeschreven. Ik verwijt het Schönberger trouwens niet (ik zou niet durven, want binnenkort moet ik zelf weer naar een concert), het aantal variaties dat de taal biedt voor "mooi' en "lelijk' is nu eenmaal beperkt.

Schönberger verwijt op zijn beurt de reguliere morning-after-recensent wel van alles. Het scherpst doet hij dat wanneer hij, doelend op de door hem gesignaleerde neiging in muziek een verkapte autobiografie van de componist te zien, spreekt over de "goedbedoelde maar machteloze humanistisch-idealistische retoriek die de muziekkritiek - en niet alleen de kritiek - sinds Beethoven heeft bedorven'. Verder kritiseert hij de critici tussen neus en lippen door. Zo zegt hij over componisten van het type Mahler, Wagner en Bruckner: “Recensies en beschouwingen over deze componisten lezend vermoed ik dat ik allerminst de enige ben die uitsluitend hoort wat hij verondersteld wordt te horen; dat, met andere woorden, net als de muziek zelf ook het luisteren ernaar voltooid is.” Ik herinner me een Eerste Mahler van het Rotterdams Philharmonisch (dirigent Simon Rattle) die ik hoorde zoals ik nog nooit een Eerste Mahler had gehoord, en niet zoals ik een Eerste Mahler "hóór te horen'.

Schönberger vindt dat critici minor composers ten onrechte vaak beschrijven in termen van componisten uit de Top Twintig. Zelf bespeurt hij echter bij Roussel "een zekere verwantschap met Ravel' en hij vraagt de luisteraar in De vogels van Diepenbrock te wachten op het moment waarop "de muziek van kleur verschiet en Diepenbrock weer zichzelf is, zij het bij monde van Fauré'.

Dat laatste is mooi gezegd, en mooi-zeggen is Schönbergers allersterkste wapen. Hij weet jaloersmakende formuleringen te bedenken waarmee hij in een enkele zin de essentie van een werk of een oeuvre aanduidt. Wie leest dat Goebaidoelina gefascineerd wordt door "klank die op het punt staat muziek te worden', dat een bepaalde cantate van Bach heeft "te lijden van een kabbelend geloof' en dat in een madrigaal van Scarlatti "tonen tegen elkaar aanschuren als droom en werkelijkheid van een afgewezen minnaar', is meteen nieuwsgierig naar de muziek.

Meesterzet

Soms slaat de formuleerdrift van Schönberger om in cryptische mooischrijverij: “Hoezeer zou Bach niet-Bach blijken te zijn? Meer of minder Bach dan Bach zelf al niet-Bach kan zijn?” En: “Muziektheater. Het is makkelijker gezegd wat het niet is dan wat het wel is. En omdat dat wat het wél is, zulks zo uitdrukkelijk ook is in wat het nét is, moet dat wat het zo uitdrukkelijk niet is ook genoemd worden.” Maar over het algemeen gaat van de tekst een grote rust uit. Schönberger is een meester van het althans: “Een hit zullen deze composities nooit worden, daarvoor is de muziek te "geleerd', althans te contrapuntisch, en te kunstig, althans te avontuurlijk.” Hij doet graag ferme uitspraken die hij vervolgens terugneemt: Bach is Bach, maar Bach is natuurlijk altijd in wisselende mate Bach. De tekst lijdt daardoor wel eens aan een te grote mate van constructie en berekening. Ontboezemingen als "Wil niemand het overbodige van Händel in mijn hoofd overnemen? Doe ik iemand een plezier met Telemann?' en "Halewijn is meer dan goed te verstaan: het is véél te goed te verstaan', vallen ineens prettig uit de toon. Schönberger is, paradoxaal genoeg, een van de meest persoonlijke muziekcritici in Nederland (met eigenzinnige en soms wel eens wat eenzijdige voorkeuren) en tevens een van de meest afstandelijke.

De beheersing van de taal zou zinloos zijn zonder de beheersing van het onderwerp. Nergens spreidt Schönberger muziekhistorische kennis tentoon, toch spreekt die uit ieder woord. Waar het niet anders kan, gaat hij muziektheorie niet uit de weg, maar altijd flanst hij er wel een subtiele metafoor tussendoor: "Tegen het einde van de derde minuut doet hij (Nancarrow) een meesterzet, door de cantus firmus van octaafverbindingen te voorzien en deze vervolgens als een lijmstokje in een volière van trillers op te hangen.' Een enkele keer grijpt zelfs Schönberger naar een paardemiddel: een notenvoorbeeld. Hij doet het mondjesmaat - één keer voegt hij er voor partituuranalfabeten aan toe dat ze in de maat tot 64 moeten tellen om het prachtige, chromatische fragment uit Purcells twaalfde fantasie te horen.

Ik zie altijd uit naar Schönbergers glinsterende essays in Vrij Nederland. Gebundeld in De vrouw met de hamer & andere componisten hebben de fraaie stijlfiguren en virtuoze wendingen echter de neiging om op maniertjes te lijken. Datzelfde zou ook van de honderdvier symfonieën van Haydn kunnen worden gezegd. Nooit zou ik ze allemaal achter elkaar kunnen beluisteren en toch wil ik zijn Sämtliche symphonien best in de kast hebben. Al was het alleen maar omdat in ieder werk wel een fragment voorkomt dat voor altijd in het oor gegrift staat. Net als bij Schönberger.