Schrijversblok (4)

Iemand die ik in geen maanden had gezien vroeg me wat ik tegenwoordig voor de kost deed. "Ik schrijf over het schrijversblok,' zei ik.

"Een goudmijn,' zei hij. "Er ligt op het ogenblik een boek over dit belangrijke onderwerp bij Shakespeare & Co, dat wil zeggen een paar dagen geleden lag er een hele stapel en toen ik vanmorgen binnen liep waren er nog twee.'

Shakespeare & Co is een ouderwetse boekhandel op Broadway. Voorkomend en belezen personeel, veel klanten verdiept in een deeltje dat ze uit de kast hebben gehaald of zich peinzend, stap voor stap langs de lange rijen ruggen bewegend. Het is zo'n winkel waar je nog ongehinderd een heel boek kunt lezen zonder dat je door bewakers in de gaten wordt gehouden. Om de kloostersfeer te bevorderen had de directie een cd met Gregoriaans gezang opgezet. Een kaal hoofd heb ik al, dacht ik, maar waar is m'n pij. Eigenlijk zouden ze die aan de ingang beschikbaar moeten houden. Niets wat een snelle geestelijke rijping bevordert mag ongebruikt worden gelaten.

Het bedoelde boek was vlug gevonden: If You Want To Write, van Brenda Ueland. Het is verschenen in 1938 en in 1987 herdrukt. Op de pagina voor het titelblad staan twee portretten van de schrijfster: een uit het jaar van verschijnen en het andere toen ze 91 was. Ze keek monter in de lens en had toen nog twee jaar te leven. Ze heeft lang in New York gewoond, verkeerde in de bohème van Greenwich Village, was bevriend met Eugene O'Neill en verdiende haar geld als schrijver, redacteur en met het geven van lessen in de schrijfkunst. Uit die laatste bezigheid is dit boek ontstaan. Het meteen aangeschaft, tien dollar.

Terwijl ik naar de subway liep begon ik me te verheugen op wat ik zou gaan lezen. If you want to write. Met dat boek in m'n plastic tasje begon ik niets liever te willen; overal zag ik opeens "stof' dat om mijn woorden schreeuwde. (Een van de belangrijkste oorzaken van het schrijversblok is het gebrek aan "stof'. Iedereen kan wel willen schrijven maar zonder "stof' gaat het niet. De aanstaande schrijver moet oog hebben voor de "stof'.) Zo zag ik bijvoorbeeld in de bleke winterzon een vrouw van een jaar of vijftig die, een sigaret tussen de lippen bungelend, de krant stond te lezen. Een vrouw aan wie alles vaal was: de jas, het haar en haar vel dat in dikke vouwen over haar jukbeenderen hing. Alsof dat nog geen "stof' genoeg was, stond ze voor een etalage waarin alle poppen met hun eeuwige jeugd in bruidsgewaden waren gekleed. Was ik Cartier-Bresson geweest dan had ik er een foto voor de serie Wij Mensen van gemaakt. Ik zag nog meer stof van minder kaliber dat ik de lezer zal besparen.

In de trein begon ik al te lezen en snel had zich het vooroordeel gevormd. Ik moet er meteen bij zeggen dat ik het boek nog niet uit heb, maar voorzover ik het heb begrepen hoort Brenda Ueland tot het onvoorwaardelijk bejahende type. Misschien hangt het met het tijdvak samen, de periode van de methode Coué, de filosofie waarvan de strekking is dat als je maar lang genoeg blijft willen de weg vanzelf verschijnt, en misschien komt het ook door haar landsaard, de Amerikaanse, die optimistischer is en minder last heeft van twijfel dan de Europese.

In ieder geval gaat Brenda Ueland al in het eerste hoofdstuk de bouwers van het schrijversblok te lijf. Wie zijn dat volgens haar? De critici, de leraren, de opvoeders, de grotere broers en zusters, kortom het legioen van de schamperheid. "Het gezin is de grote moordenaar van de scheppende impuls. In het bijzonder de echtgenoot weet er raad mee.' Dit citaat geeft meteen de toon aan waarop de schrijfster zich tot haar aanstaande collega's richt: in wezen is iedereen begenadigd. Het komt er alleen op aan je niet van de wijs te laten brengen. Zo vat ik haar boodschap samen.

Zonder haar inspirerende boek te willen miskennen geloof ik dat dit een vergissing is. Ja, iedereen kan ook redelijk leren tekenen en zelfs beter dan redelijk als de potloodhanteerder in kwestie er zin in heeft en eventueel onder professionele begeleiding het toppunt van haar of zijn kunnen bereikt door bijvoorbeeld alle werkingen van licht en schaduw onder de knie te krijgen. Het is, zoals Wim T. Schippers weleens heeft gezegd, alsof je een doorzichtig stuk papier tegen het perspectief van je keuze houdt, en dan komt het er simpelweg op neer hoe goed je de lijnen kunt "overtrekken'. Zo is het ook met schrijven. Je houdt de situatie van je keuze tegen de lens van je hersenen en dan neem je het gereedschap van je idioom en je schrijft gewoon op wat er aan de hand was of is. Het moet wel vreemd lopen als je op zo'n manier geen redelijk vrij opstel op papier krijgt. Een wat vervallen dame die de krant leest tegen een achtergrond van bruidsjaponnen: een goed uitgangspunt waarmee we iedere kant op kunnen die de geest dicteert. Ja, àls de geest dicteert.

Het geheimzinnige van iedere kunst ligt, zoals bij een projectiel, in de aanvuurlading. En weliswaar zijn de mensen gelijk geboren maar niet in dezelfde mate met een aanvuurlading bedeeld. In wezen gaat het er bij het meten en overkomen van het schrijversblok om, het explosief gehalte van de aanvuurlading te meten en bij een fout in de samenstelling, na te gaan of die kan worden verholpen.

Hoe doen we dit? Welnu, daarvoor bestaat een eenvoudig middel en dat is de brief. In de brief geeft de schrijver als het ware de bloedproef. Om eens een voorbeeld te noemen: de brieven van Flaubert. In de brief toont de schrijvende, hoe dan ook, per ongeluk of expres, de alchemie die de woorden tot meer dan woorden maken. Waarom dat zo is zal ik, na het bewijsmateriaal te hebben vergaard, proberen duidelijk te maken.