Pelgrims over asfalt naar Jacobs graf

Galicië, in het uiterste noordwesten van Spanje, wil zich uit zijn isolement bevrijden. De bedevaartroute naar Santiago de Compostela wordt daartoe gerenoveerd en moet nu onder de aandacht van het internationale toerisme worden gebracht.

SANTIAGO DE COMPOSTELA, 19 FEBR. De Berg van de Vreugde was tot voor kort woest en verlaten. De pelgrims vonden dat niet erg, want na maanden of zelfs jaren lopen kregen ze op deze plek ten noordoosten van Santiago voor het eerst het doel van hun reis in zicht. Daar, in de verte, door bomen half aan het oog onttrokken en vaak ook door het nevelige weer, piekten de torenspitsen van de kathedraal de hemel in - en in de kathedraal, onder het hoofdaltaar, wisten ze het graf van de heilige Jacob.

Zo is het meer dan tien eeuwen lang gegaan.

Sinds een paar maanden is het op de Monte del Gozo een malen, een zagen en een hameren van belang. Honderden arbeiders zijn bezig er een toeristisch centrum te bouwen met slaapgelegenheid voor drieduizend personen en met een openluchttheater met plaats voor veertigduizend man publiek. Er wordt koortsachtig gewerkt, want dit voorjaar moet het complex al in gebruik worden genomen en wanneer op 25 juli de paus naar Santiago komt, moet het in heel zijn luister, compleet met grasvelden en parkeerplaatsen, te pronken staan. De Xunta, het regionale bestuur van Galicië, heeft een videofilm laten maken waarop met behulp van computertekeningen is te zien hoe het gaat worden. Alsof er een enorme vliegende schotel op de kale bergkruin is neergestreken.

Wat 1992 was voor Spanje, moet 1993 worden voor Galicië: de meest achtergebleven streek van het land wil de wereld laten zien wat zij te bieden heeft en zichzelf daarmee tegelijk een flinke schop de toekomst in geven. Als aanleiding voor deze promotiecampagne is de oeroude pelgrimage naar Santiago de Compostela genomen. De Camino de Santiago is immers toch al de beroemdste weg van Europa en was ook in het verleden de belangrijkste bron van inkomsten voor stad en streek. Bovendien wil een gelukkig toeval dat de verjaardag van Sint Jacob in 1993 op een zondag valt en dus is het voor de kerk een Heilig Jaar, waarin al extra feestelijkheden waren gepland en extra aflaten konden worden verdiend.

Pag.4: Een Heilig Jaar met Julio Iglesias - en veel ruzie

De Xunta heeft (samen met de landelijke overheid en de gemeente) in totaal 30 miljard peseta (ongeveer 495 miljoen gulden) uitgetrokken voor wat zij, in de streektaal en voor seculier gebruik, het "Ano Xacobeo', heeft genoemd. Niet alleen de Monte del Gozo wordt met dat geld getransformeerd, ook de monumentale stad heeft een face lift gekregen, er is een enorme congreshal gebouwd, een rondweg aangelegd en het vliegveld is uitgebreid. Vanaf het punt waar de Camino de provincie binnenkomt - bij het dorpje El Cebreiro - is het voetpad verbreed, van nieuwe routebordjes en van nieuwe schuilplaatsen voorzien. Helemaal klaar is de verbouwing nog niet. In El Cebreiro grommen de bulldozers nog door de halfbevroren aarde, vlak langs de rietgedekte hutten en het kerkje annex hospitium uit de negende eeuw. Maar de promotie van het jubeljaar is al maanden geleden begonnen, compleet met mascotte (het poppetje "Pelerin' - "pelgrim') en met een speciale ambassadeur: de zanger Julio Iglesias, die daarvoor een vergoeding van 300 miljoen peseta ontvangt.

“Ik weet dat er kritiek bestaat op ons contract met Julio Iglesias”, erkent Victor Manuel Vazquez Portomeñe, de man die namens de Xunta het consortium Xacobeo '93 bestuurt. “Maar ik beschouw het als een buitengewoon goede investering. Hij is nu eenmaal internationaal gezien de beroemdste zoon van onze streek. Tientallen miljoenen televisiekijkers over de hele wereld hebben gezien hoe hij de gevel van de kathedraal als decor bij zijn concerten heeft gebruikt. Dat wekt de belangstelling en we willen dit jaar nu eenmaal zeven miljoen extra toeristen trekken. Ik ontken heus niet dat de Camino van oorsprong een religieuze betekenis heeft, maar we moeten hem niet tot zijn religeuze dimensie reduceren. Wij beschouwen dit jaar als een unieke mogelijkheid om onze maatschappij te dynamiseren en gerevitaliseerd binnen te stappen in de eenentwintigste eeuw.”

Het enthousiasme van Portomeñe staat in schril contrast met de opvattingen van zijn stadgenoot Pedro de Llano, architect en voorzitter van de monumentencommissie van de Culturele Raad van Galicië. Hij noemt de verbouwing van de Monte del Gozo “een onherstelbare aanslag op de symbolische kwaliteit van de plek” en de modernisering van de pelgrimsroute “een misdaad van historische omvang”. Met twee collega's heeft hij het Galicische deel van de Camino in de afgelopen twee jaar twee keer gelopen en twee keer een vernietigend rapport uitgebracht, dat door de Xunta zonder commentaar ter zijde is gelegd. De Llano omschrijft het karakter van de route als “afwisselend, geïntegreerd in het landschap, soms samenvallend met grotere wegen, dan weer alleen een smal pad dat in de loop van de eeuwen is uitgesleten door de voeten van de pelgrims, als een litteken in het landschap, soms wel twee meter diep”. Van dit oorspronkelijke karakter was volgens zijn schatting tien jaar geleden nog zo'n tachtig procent bewaard. Nu bestaat nog maar dertig procent en die dreigt te veranderen in “een plak asfalt van zes meter breed”.

Volgens De Llano had eerst een inventarisatie van de authentieke route moeten worden gemaakt, voor men met de vernieuwingen begon. Dat had echter de aanleg van nieuwe autowegen aanzienlijk vertraagd, zo niet onmogelijk gemaakt. “Er zijn nu eenmaal enorme financiële en politieke belangen met dit project gemoeid”, constateert de architect. “De centrale overheid wil geen problemen met de president van de Xunta, Manuel Fraga. De regionale overheid wil zo snel mogelijk het beschikbare geld uitgeven en de oppositie kan het zich niet permitteren investeringen af te wijzen, hoewel de nieuwe wegen verkeerstechnisch helemaal niet nodig zijn. De plaatselijke pers staat onder druk door de enorme sommen aan advertentiegeld die het Ano Xacobeo meebrengt. En in de dorpen langs de route vindt men het prachtig als de Camino een snelweg wordt, want akkergrond verandert daardoor automatisch in veel duurdere bouwgrond en over de weg kunnen toeristen worden aangevoerd die de plaatselijke horeca spekken. Men vergeet echter dat de Sint Jacobsroute niet alleen van ons Galiciërs is, het is erfgoed van de hele christelijke mensheid. De Raad van Europa draagt naar mijn gevoel een belangrijke verantwoordelijkheid. In 1987 hebben ze met veel tamtam het beschermheerschap over de Camino aanvaard en borden erlangs laten plaatsen met het EG-vignet. Maar verder hebben ze zich er in het geheel niet mee bemoeid. Het was voor Brussel alleen een imago-operatie.”

Portomeñe beschouwt de kritiek van de monumentencommissie als querulantisme. “Het is de mening van een enkeling tegenover onze hele maatschappij. Wij zijn er juist op uit om de route te conserveren en we hebben de Monte del Gozo onteigend om hem voor iedereen toegankelijk te maken. Ook van de buitenlandse pelgrimsorganisaties hebben we niets dan lof gekregen voor onze inspanningen.”

Koen Dircksens, de voorzitter van het Nederlandse Sint Jacob Genootschap, uit een beschaafde krachtterm wanneer hij met deze uitlating wordt geconfronteerd. Inderdaad is hij in november 1991 samen met acht andere voorzitters van de in totaal elf Europese pelgrimsorganisaties in Santiago geweest om een toelichting te krijgen op de plannen van de Xunta. Bij die gelegenheid hebben zij echter juist gezamenlijk grote bezwaren geuit tegen “een geasfalteerde route met om de vijf kilometer een friettent” en tegen de aanslag op de Monte del Gozo. “Er zijn al zoveel plaatsen op de wereld waar je met de bus naartoe kunt”, meent Dircksens. “Santiago zou Santiago niet meer zijn zonder pelgrims en bij de pelgrimage horen ook wat hindernissen. Af en toe moet je de weg vragen aan de plaatselijke bevolking, soms moet je over een muurtje klimmen. De pelgrim is geen toerist. Hij hoort al eeuwenlang bij het landschap van de route. De Camino heeft nu eenmaal een spirituele kant die het toerisme mist.”

De socioloog Herman Vuijsje, die in 1989 de route in omgekeerde richting (van Santiago naar Amsterdam) bewandelde en daarover het boek Pelgrim zonder God publiceerde, beschouwt de controverse over het behoud van de Camino als het gevolg van een cultuurverschil. “Nog niet zo lang geleden deden wij ook aan natuurbeheer door overal keurige grintpaden aan te leggen en hekken omheen te zetten. Onze opvattingen zijn inmiddels gewijzigd, in Galicië zijn ze nog niet zo ver.” Vuijsje kan zich als wandelaar wel voorstellen dat het opknappen van de overnachtingsplaatsen door veel gebruikers van de route wordt toegejuicht, maar persoonlijk vindt hij zelfs al het planten van nieuwe bomen langs het pad een ingreep die te ver gaat. Ontberingen horen bij de pelgrimage.

Pater Jaime Garcia Rodriguez, die vanuit een klein kantoortje aan de achterkant van de kathedraal de ontvangst van de pelgrims regelt, veroorlooft zich in het licht van tijd en eeuwigheid een wat ruimer perspectief. Het doet er voor hem niet zoveel toe hoe je in Santiago aankomt, het gaat om de intentie. “Als er in de Middeleeuwen al vliegtuigen hadden bestaan, was men misschien nooit gaan lopen.” Hij tekent daarbij echter aan dat voor het verkrijgen van het officiële getuigschrift wat hem betreft toch ten minste honderd kilometer te voet moet zijn afgelegd.

De aartsbisschop van Santiago, monseigneur Rouco Valera, heeft vanaf de kansel herhaaldelijk kritiek geuit op de paganisering van de bedevaart en op plannen om zelfs op het imposante plein voor de kathedraal allerlei festiviteiten te organiseren. Wat pater Jaime betreft bestaat het Ano Xacobeo gewoon niet, hij spreekt alleen over het Heilige Jaar. Het is zijn streven om van iedere toerist een beetje pelgrim te maken, al moet hij toegeven dat hij zijn handen al aardig vol heeft aan de authentieke bedevaartgangers. Hun aantal neemt de laatste jaren namelijk stormachtig toe. Vorig jaar waren het er 9.764 die vanuit alle landen van West-Europa en, voorzover het Spanjaarden waren, vanaf Roncesvalles naar Santiago kwamen; zestig procent te voet, veertig procent op de fiets of te paard. Bij aankomst worden ze naar hun motieven gevraagd. Vierenvijftig procent noemt dan godsdienstige beweegredenen, veertig procent omschrijft de intentie als "religieus-cultureel' en niet veel meer dan vijf procent zegt uitsluitend sportieve of culturele bevrediging na te streven.

“Het is mijn ervaring dat eigenlijk niemand de tocht maakt zonder zichzelf een belofte te hebben gedaan of te streven naar geestelijke verdieping”, zegt de pater, juist op het moment dat de deur opengaat en een zwaarbepakte pelgrim het kantoor binnenkomt. De jongen is in zes weken uit Roncesvalles komen lopen, heeft twee paar laarzen versleten en het vuil zit tot diep in de poriën van zijn gebruinde gezicht. Het was vooral 's nachts ijzig koud geweest en Santiago had geen kilometer verder moeten liggen, maar hij straalt van oor tot oor. Zijn motieven zijn "persoonlijk', daarover wil hij niets vertellen, maar hij weet nu al zeker dat hij de Camino niet voor het laatst gelopen heeft. Morgen om twaalf uur zal zijn naam genoemd worden tijdens de pelgrimsmis in de kathedraal.

“Ik was onlangs in België en Frankrijk om over de bedevaarten te spreken,” vertelt pater Jaime, terwijl hij zwierig zijn handtekening zet onder het getuigschrift van de jongen. “De belangstelling? Enorm. Iedereen had van het Heilige Jaar gehoord. En niemand wist wie Julio Iglesias was.”