Op een keer

De tor was moe. Dof en verschrompeld zat hij op de grond onder een steen. Wat ben k moe, dacht hij. Met sombere ogen keek hij onder de steen vandaan naar de lucht, die er zwaar en ontredderd uitzag.

Hij viel om en kwam op zijn zij terecht. Hij probeerde weer overeind te komen. Maar niet lang. Ach, laat ook maar, dacht hij.

Het werd donker.

De hele nacht lag hij op zijn zij en dacht aan zijn moeheid. Hij was te moe om te slapen. Het begon te regenen en de steen gleed weg en schoof over de tor heen. Ook dat nog, dacht hij.

De volgende dag was het nog slechter weer. Het stormde en stortregende. De tor spoelde weg. Maar het deed hem weinig meer. Waarom zou het ook, dacht hij.

Hij botste tegen een rots en zakte ondersteboven in de modder. Wel ja, dacht hij.

Toen hoorde hij roepen:

"Tor! Tor!'

Ik word gezocht, dacht hij.

De stem stierf weg en de tor vroeg zich af wie hem geroepen had en waarvoor. Vast voor een of andere flauwekul, dacht hij.

Alles was zwart en stil om hem heen en duurde heel lang. Maar een enkele keer hoorde hij in zijn gedachten die stem roepen: "Tor! Tor!'

Dat ben ik, dacht hij dan, terwijl hij steeds dieper wegzakte in de modder onder de rots.