Liefhebbers van pantoffels; Surrealisten discussieren over seks

Het was een idee van André Breton om een onderzoek naar erotiek en seksualiteit in te stellen. Pas onlangs verschenen alle twaalf gesprekken die de surrealisten daarover hielden. “Hoeveel er ook wordt gezegd, het is toch of de surrealisten en hun geestverwanten het door Breton ontsloten terrein nog niet op durven, of elke deur die hij opent meteen weer ginnegappend moet worden dichtgesmeten.”

Investigating Sex: Surrealist Discussions 1928-1932. Uitg. Jose Pierre, Verso, Londen, 1992. Prijs ƒ 61,75

Op 6 mei 1928 kwamen een vrouw en negen mannen in Parijs bijeen om een zaak van het hoogste belang te bespreken. De man die de notulen bijhield heeft niet vermeld in welk huis de ontmoeting plaatsvond. Het zal wel in de Rue du Château of de Rue Fontaine zijn geweest. Op die adressen zagen ze elkaar het meest.

In elk geval waren ze omgeven door geschilderde dromen; ze geloofden dat die voorstellingen veelzeggender zijn dan een landschap of een portret. Er hingen ook Afrikaanse maskers aan de muur, die hen, zo dachten ze, samen met de droom de weg zouden wijzen naar domeinen waar de rede het niet meer alleen voor het zeggen heeft.

Ze waren tussen de twintig en vijfendertig jaar. Het onderwerp van die avond paste volledig bij hun opvattingen. Steeds weer probeerden ze achter hun verborgen beweegredenen te komen, stelden ze elkaar vragen die in een doorsnee gesprek worden vermeden.

De voorzitter brengt de bestialiteit aan de orde. Wil iemand daar iets over zeggen? Waarschijnlijk niet, niemand heeft er ervaring mee. Of toch?

Het woord is aan JB.

Toen hij veertien was had hij een verhouding met een ezelin. Hij ziet het dier nog wel eens; het leeft nog steeds. In het bos deed hij het tuig af, het was net of hij iemand uitkleedde. Hij beminde de ezelin, tuigde haar weer op en bracht haar naar de stal.

JP wil weten wat het dier er zelf van vond.

Eerst was het heel gedwee, later niet meer. JB voelde zelf ook een zekere weerzin. Hij was bang dat een familielid z'n geheime liefde zou ontdekken.

De voorzitter vraagt waarom hij juist dit dier en niet een ander beminde.

Het antwoord is nuchter: omdat hij de ezelin zo vaak zag. Het gebeurde altijd op donderdag en zaterdag, vlak voor de geschiedenisles, dan had JB vrij. Hij had ook een korte verhouding met een geit. Z'n vrienden moeten er maar niet van opkijken, die dingen zijn op het platteland heel gewoon.

De voorzitter leidt het gesprek met ijzeren hand. Hij begint over zijn lievelingsthema, de mogelijkheid van het gelijktijdige orgasme.

De meningen zijn verdeeld. De een denkt dat het zelden of nooit gebeurt, de ander weet zeker van wel en de derde heeft daar weer zijn twijfels over: het wordt vaak gesimuleerd.

Ander onderwerp, masturbatie, wie heeft er wat over te zeggen?

JC ziet daarbij niet een vrouw in het bijzonder voor zich, maar vrouwen in het algemeen zonder dat hij toelicht wat dit verruimde begrip nu precies voor hem inhoudt.

De enige vrouw uit het gezelschap stelt een vraag aan JP. Haar naam is in de notulen niet eens bewaard gebleven, alleen een initiaal: Y.

Wanneer wordt JP zich ervan bewust dat hij een vrouw wil beminnen?

Dat gebeurt gewoon, hij denkt er nooit zoveel over na. Ja toch, dat is het, als een vrouw sloffen aan heeft wil hij haar beminnen.

MD is het onmiddellijk met hem eens. Pantoffels en kamerjassen zijn erg aantrekkelijk.

Op dat ogenblik ontsteekt de voorzitter in grote woede. Hoe durft MD ongeveer hetzelfde antwoord te geven als JP? Het is toch onmogelijk dat twee mannen voor zo iets als sloffen dezelfde voorkeur hebben!

“Je hebt het recht niet te denken dat ik zit te liegen,” antwoordt MD.

André Breton, dat was de voorzitter, hij woonde in de Rue Fontaine, waar hij de surrealistische beginselen onderwees. De pantoffelliefhebbers JP en MD heten voluit Jacques Prévert en Marcel Duhamel. Samen met de schilder Yves Tanguy en Pierre Prévert, de broer van Jacques, hielden ze domicilie in de Rue du Château, waar de nieuwste kunst lang niet zo ernstig werd genomen als in de Rue Fontaine.

Het was Bretons idee een onderzoek naar erotiek en seksualiteit in te stellen. De uitkomsten moesten in het tijdschrift La révolution surréaliste komen.

Het zou een serie van twaalf gesprekken worden. De eerste zeven, ook de langste, vonden plaats in het begin van 1928. De andere vijf zijn in 1930-1932 gehouden. Slechts twee werden er in het tijdschrift gepubliceerd; de andere tien bleven in het archief van de beweging. Pas vijftig jaar later werden ze volledig uitgegeven.

Schoolreisje

Breton was een legendarische ruzieschopper en mede daardoor is het verloop onder de deelnemers groot. Zeven vrouwen en drieëndertig mannen, onder wie Antonin Artaud, Paul Eluard, Max Ernst, Raymond Queneau en Man Ray, gingen op de uitnodiging van Breton in. Alleen de grote man zelf nam aan alle gesprekken deel.

De dichter Prévert en de hotelhouder Marcel Duhamel waren verscheidene keren aanwezig. Het erotische gehalte van al het beweerde sloegen ze niet hoog aan. Als ze in de zevende sessie die pantoffels ter sprake brengen zie je de jongens van de achterste bank voor je die een zakdoek in hun mond proppen om maar geen enkel geluid te hoeven maken.

Hoe zouden ze hebben gekeken toen Breton, vlak na de pantoffels, een vraag van Y. beantwoordde?

Als hij echt van een vrouw hield kon hij niet masturberen terwijl hij aan haar dacht. Op die regel was maar één uitzondering mogelijk en wel als de man en vrouw het samen hadden afgesproken. Bij voorbeeld om vijf uur 's middags!

Deze passage is kenmerkend voor het onderzoek. Meestal houdt de stemming het midden tussen een schoolreisje, een militaire kantine en een weerbaarheidsoefening. En toch zitten er af en toe mooie stukken in.

In het bijzijn van Paul Eluard en zijn vriendin Nusch Benz wordt ingegaan op het verschil tussen de liefde in het licht en in het donker. Het wordt aangestipt, niet uitgediept, maar over dat verschil wordt zelden gesproken.

Als het weer eens over het onuitputtelijke onderwerp masturberen gaat zegt een vrouw van wie alleen de naam Madame Léna is overgebleven dat ze dan altijd denkt aan een vrouw van wie ze heel veel hield: haar zuster.

Van plotselinge impotentie geeft André Breton de mooiste verklaring: het kwam door het mauvekleurige behang van de hotelkamer, dat met geel gemengd paars had hij nooit kunnen verdragen.

Denk niet dat hij zo'n opmerking geestig bedoelt. Hij praat alsof hij een aandeelhoudersvergadering van een staalfabriek voorzit.

Het onderzoek bevat verhalen over het ontwaken van de erotiek bij een kind, over de meest geliefde lichaamsdelen en over het ook bij de meeste surrealisten zeer grote taboe op de homoseksualiteit.

De half of grappig beantwoorde vragen geven het onderzoek ook iets wanhopigs. Hoeveel er ook wordt gezegd, het is toch of de surrealisten en hun geestverwanten het door Breton ontsloten terrein nog niet op durven, of elke deur die hij opent meteen weer ginnegappend moet worden dichtgesmeten.

“Benjamin Péret, je vindt al je vroegere vriendinnen bij elkaar, bij voorbeeld in een café. Een beetje van hen af staat de vrouw van wie je houdt of denkt te houden. Wat zou je doen?”

“Rennen voor m'n leven.”

“Aragon?”

“Hopen dat ik de tegenwoordigheid van geest heb m'n geliefde van die plek des onheils weg te krijgen.”

“Noll?”

“Zo iets gebeurt alleen in een nachtmerrie. Ik zou met een van hen het café uitgaan, misschien niet eens met m'n huidige beminde.”

“En wat zou jij doen, Breton?” vraagt Aragon.

“Ik denk dat ik een lange redevoering zou afsteken.”

En hij zou het als hij de kans kreeg doen, een referaat houden over l'amour fou en ook nog vragen of er tussen zijn vroegere vriendinnen misschien exhibitionistes zitten.

Hoe gek die vragen soms ook zijn, hij stelde ze wel, plechtig en nieuwsgierig.