Laconieke roman van Huub Beurskens; Hier was klank overlast

Huub Beurskens: Leila. Uitg. Meulenhoff, 228 blz. Prijs ƒ 34,90.

Het wordt wel vaker gedaan, maar het blijft grappig: een schrijver die even opduikt in zijn eigen werk. In zijn nieuwe roman Leila laat Huub Beurskens zijn verhaalfiguren een weinig vleiend beeld geven van zichzelf. Smalend merkt een van hen op dat er niet veel schuil kan gaan achter zo'n ”rond bebrild, halfgrijs besnord blozend bol myoop hoofd met vlekken in de hals'. Een ander weet te vertellen, ook al met een geringschattende ondertoon, dat zijn boeken niet op ”ladders en lijsten' voorkomen, maar wel goed worden besproken, ”als gold zoiets als een prae, als een onomstotelijk bewijs van kwaliteit'.

Inderdaad hoort Beurskens, met schrijvers als Ten Berge, Timmers, Michiels en Vogelaar tot het type auteur dat meestal prettig ontvangen wordt, maar geen groot publiek bereikt. Dat moet wel te maken hebben met zijn Raster-achtige reputatie, waardoor hij nog altijd de naam heeft een ”moeilijke' schrijver te zijn, terwijl hij steeds eenvoudiger is gaan schrijven. Men hoeft geen bleke boekenwurm te zijn om de verhalen in Badhok (1988) of Sensibilimente (1991) of de novelle De verloving (1990) te kunnen lezen, als men tenminste bereid is een bovennatuurlijk element of een raadselachtige ontknoping op de koop toe te nemen.

Misschien is Leila wel zijn gemakkelijkste boek tot dusver. Er komen geen sprekende hazen in voor, of badmeesters die na hun dood voortleven en ook zijn er geen mannen die over kerktorens springen of veranderen in een stier. De roman kan het zonder deze bovenaardse verschijnselen overigens heel goed stellen zonder saai te worden. Beurskens heeft een animerende hand van schrijven en veel oog voor zowel het sinistere als het komische detail.

Toch denk ik niet dat hij zich snel zal ontwikkelen tot een publieksschrijver. Daarvoor is hij niet rondborstig genoeg. Hij houdt altijd een slag om de arm, als om zich al te opdringerige lezers van het lijf te houden. Die slag om de arm zit hier niet in het verhaal zelf, dat weinig te raden overlaat, maar in de manier waarop het verhaal verteld wordt, en dus in de vorm.

Schimmig

Leila is geen roman uit één stuk, maar een nogal wispelturig mengsel van registers, gezichtspunten en verhalen in verhalen. Ook de belangrijkste romanfiguren, een man een vrouw die iets met elkaar hebben, zijn niet voor één gat te vangen. Zij houden er tegenstrijdige gedachten op na. De man, Boy Bouvé genaamd, wil een afgepast en tot niets verplichtend liefdeleven, maar koestert ook een alles overheersende hartstocht voor de Egyptische hoer Leila. Zo wordt ook zijn vriendin, Marysa Glas, verscheurd door elkaar bijtende verlangens. Zij wenst een monogaam huwelijk met Boy, maar wil ook een vrije vrouw blijven. De titelheldin Leila, een schimmig personage, is al helemaal een onbestaanbaar mengsel van verleidelijke hoer, zorgzame moeder en rechtschapen echtgenote van een moslim. Geen van deze drie figuren leert men goed kennen. Dat heeft alles te maken met Beurskens laconieke, weinig inlevende manier van vertellen. Geen van drieën eist de hoofdrol op en dat geeft de roman een merkwaardig centrumloos aanzien. Er valt weinig richting in te ontdekken, net zomin als in het stadsleven dat erin beschreven wordt. Want als Leila iets is, dan is het wel een stadroman. Over Cairo, de geboorteplaats van Leila gaat het, maar in de eerste plaats over Amsterdam, waar zeer verschillende levens, leefwijzen en culturen samenklonteren en vooral botsen.

Het wemelt in Leila van de tegenstellingen, tussen arm en rijk, dag en nacht, man en vrouw, allochtoon en autochtoon, oost en west. Dit alles leeft naast en door elkaar zonder dat er een levendige uitwisseling of een prettige verstandhouding ontstaat. Dat geeft aanleiding tot sombere, maar fraai geformuleerde overpeinzingen over het straatleven in Amsterdam Oost: ”Je zou denken dat zo'n buurtpopulatie van duizenden mensen afkomstig uit de meest uiteenlopende gebieden en culturen op de aardbol vanzelf een bont, levendig straatbeeld opleverde (-). Maar hier regende het ook als de hemel blauw was (-), hier was klank overlast en luxe een set honderd-wattboxen (-) en van de buitenkant af werden de façades aangetast door de brakke fluisterlucht tussen dealers en verslaafden (-) en vooral door de schichtige vluchthouding waarmee alles en iedereen zich langs alles en iedereen bewoog, zodat het er ondanks de duizenden bewoners, ondanks de elektronisch versterkte geluiden niet zozeer uit- als wel afgestorven leek.''

Verband

Ontworteld, dat is het belangrijkste woord in de roman, ook al valt het maar een enkele keer. Naarstig wordt er gezocht naar een bestemming, naar een identiteit, naar geborgenheid, naar een of ander ideaal, naar een verloren gegaan verband. Niet toevallig kreeg Marysa Glas van Beurskens een half-joodse afkomst, want net als in De verloving speelt de oorlog op de achtergrond mee. De boodschap is duidelijk: wat de joden overkwam, dat kan ook ”de buitenlanders' overkomen als we niet oppassen.

Er is geen eenstemmigheid in Beurskens' Amsterdam. Die polyfonie heeft hij mooi en overtuigend tot uitdrukking weten te brengen in de stijl, of liever gezegd in de zeer uiteenlopende stijlen die hij hanteert. In Leila is niet één verteller aan het woord, maar een hele stoet van sprekers die er ieder een eigen register op na houden. Archaïsche zinswendingen, computertaal, lyrische ontboezemingen, hopeloos ingewikkelde, zich over een halve of hele bladzij uitstrekkende volzinnen en passages in telegramstijl wisselen elkaar af. Nu eens gaat het over ”een Arabisch ogende dikke banjer' of over een Amsterdams echtpaar dat er ”ordie' uitziet, dan weer is er sprake van een ”Mainframe' of ”Application Layer' of wordt er gemijmerd over ”lijzen met palmkroonkapitelen, multe, bedoeïenenzang, deinen, een trage stoet kamelen', een dichtregel overigens van hemzelf, uit Hollandse wei (1990). Gewrochte zinnen van het type ”Overal begonnen lichten van de middag avond te maken' worden opgevolgd door jachtige reisnotities. ”Koffer. Toiletspullen. Tampons niet vergeten. Zonnebril ook niet. Paspoort. Welke kleren?'

Leila is een luchthartige roman met een serieuze ondertoon. Je zou kunnen zeggen dat Beurskens een goed voorbeeld geeft door diverse stemmen samen te brengen in een roman die oproept tot verdraagzaamheid. Hij doet dat op een vrolijke manier, want een echte zedenmeester wil hij niet zijn. Denk aan de medemens, zo hoor je hem tussen de regels door fluisteren, maar pluk ook de dag.