James Young: Nico, de laatste bohémienne. Vert. ...

James Young: Nico, de laatste bohémienne. Vert. Pieter Cramer. Uitg. Nijgh en Van Ditmar, 236 blz. Prijs ƒ39,90.

Clinton Heylin (ed.): The Penguin Book of Rock 'n' Roll Writing. Uitg. Viking, 682 blz. Prijs ƒ 65,65.

Rick Sky: The Show Must Go On - Het leven van Freddie Mercury. Vert. Rob Pijpers. Uitg. BZZTôH, 184 blz. Prijs ƒ 9,95.

Richard Williams: Dylan, A Man Called Alias. Uitg. Bloomsbury, 192 blz. Prijs ƒ 66,70 (geb.)

Born in the U.S.A. - The Myth of America in Popular Music from Colonial Times to the Present. University Press of Mississippi, 280 blz. Prijs ƒ 74,30.

De rock 'n' roll gaat zijn vijfde decennium in, maar volwassen boeken over popsterren zijn nog steeds dun gezaaid. De meeste biografieën zijn slecht geschreven, snel in elkaar geflanst, of alleen interessant voor de doorgewinterde fan. Het aangrijpende boek dat James Young schreef over Nico, de voormalige "chanteuse' van de Velvet Underground, is een uitzondering op de regel; maar Nico, de laatste bohémienne (Songs They Never Play on the Radio) is dan ook geen echte biografie. Young concentreerde zich op het slop van Nico's carrière, en schreef een persoonlijk verslag van de tijd dat hij als toetsenist in de begeleidingsgroep van "Koning Ludwigs Zotte Zus' door Europa trok.

In de jaren tachtig was Nico (Christa Paffgen, Keulen 1938) geen schim meer van de fascinerende schoonheid die ze eens geweest was. Na haar tijd als zangeres van de Velvet Underground en filmster in Andy Warhols "Factory' (1965-67) had ze alleen nog obscure films en weinig succesvolle soloplaten gemaakt. Haar stem ("zo diep als kerkers waar geheime gruwelen op de loer lagen') was nauwelijks meer om aan te horen en haar liedjes over vergankelijkheid en verval waren, zoals Young schrijft, "onverenigbaar met het ritme van de jaren tachtig.' Maar de eigenlijke oorzaak van Nico's teloorgang was de heroïne. Toen Young in 1982 toetrad tot het zootje ongeregeld dat haar op haar vreugdeloze tournees begeleidde, was de vroegere "Europese maangodin' al verworden tot het "voddenvrouwtje van de rock.'

Met cynische dialogen en humoristische anekdotes schetst Young de laatste jaren van een legende uit de jaren zestig die moet leven in de schaduw van het verleden, en die door haar verslaving gedwongen wordt om telkens weer achter haar spookachtige orgeltje te gaan zitten. Nico is een ontluistering, een Fleurs du mal van de rock 'n' roll: hotels krioelen van het ongedierte, fans lijsten de gebruikte injectienaalden van hun idool in, en de zoon die Nico ooit kreeg van filmster Alain Delon verrast zijn moeder op haar verjaardag met een volle spuit heroïne. Het is allemaal met veel vaart opgeschreven, en hoewel de afloop van het verhaal bekend is - Nico stierf in juli 1988 aan een hersenbloeding - verveelt de lezer zich geen moment. Jammer genoeg wordt de overigens vloeiende Nederlandse vertaling ontsierd door een mislukte poging om van de verschillende Engelse dialecten fatsoenlijk Hollands Plat te maken.

James Young: Nico, de laatste bohémienne. Vert. Pieter Cramer. Uitg. Nijgh en Van Ditmar, 236 blz. Prijs ƒ39,90.

Een hoofdstuk uit Youngs Nico-biografie had niet misstaan in The Penguin Book of Rock 'n' Roll Writing, een bloemlezing van merendeels goed geschreven verhalen en beschouwingen over Anglo-Amerikaanse popmuziek. "Tachtig naalden in een hooiberg' noemt samensteller Clinton Heylin zijn keuze uit 25 jaar rock writing; wat hij opdook waren niet alleen de stukken die iedere rockfan van horen zeggen kent (Tom Wolfe's "Phil Spector: The First Tycoon of Teen', Jon Landau's "I Saw Rock 'n' Roll Future and its Name is Bruce Springsteen'), maar ook obscure artikelen die minstens zo opmerkelijk zijn. Tussen de plaatrecensies, concertverslagen en breed opgezette essays over verleden en toekomst van de popmuziek vindt de lezer een "seks en de Rolling Stones'-verhaal van Patti Smith, uit de tijd dat ze nog popjournalist was; een humoristisch verslag van Beatlemania in Amerika door Michael Braun; een tirade van (Hendrix-biograaf) Charles Shaar Murray tegen de verkwanseling van de blues door heavy-metalgroepen; en de Ciceroniaanse redevoering die Frank Zappa in 1985 voor het Amerikaanse Congres hield om te protesteren tegen censuur op popteksten.

The Penguin Book of Rock 'n' Roll Writing is een enthousiasmerende verzameling capita selecta uit de popkritiek. Clinton Heylin heeft bewust niet gestreefd naar een geschiedenis van de rock in teksten: hoewel de belangrijkste popfenomenen, van Elvis Presley tot en met U2, besproken worden, zijn de artikelen niet in chronologische volgorde opgenomen. Het boek is verdeeld in tien thematische hoofdstukken, begint met essays uit de "prehistorie', toen het beroep van de rockcriticus nog niet was uitgevonden, en eindigt enigszins voorspelbaar met de necrologieën van Janis Joplin, Jim Morrison, Marc Bolan en andere rock 'n' roll suicides.

Clinton Heylin (ed.): The Penguin Book of Rock 'n' Roll Writing. Uitg. Viking, 682 blz. Prijs ƒ 65,65.

Muziek, seks en geld waren de drie passies van zanger-componist Freddie Mercury (1946-1991); helaas concentreerde Rick Sky zich in zijn biografie van de Queen-ster op de laatste twee. The Show Must Go On - genoemd naar de single die Queen uitbracht in de maand dat Mercury aan aids overleed - leest als een schandaalkroniek over een Byzantijnse keizer. Champagnegelagen, cocaïnefeesten, consumptieve uitspattingen in internationale warenhuizen, orgiën in de homoscenes van München en Londen - Sky beschrijft ze nauwgezet, maar aan het artistieke belang van de als Farokh Bulsara in Zanzibar geboren superster wordt nauwelijks aandacht besteed. Ook de verdiensten van Queen voor de popmuziek worden niet geanalyseerd. Sky noemt alleen losse feitjes: dat Mercury opera en popmuziek nader tot elkaar wilde brengen; dat het filmpje bij "Bohemian Rhapsody' een mijlpaal was in de ontwikkeling van de videoclip; dat Queens optreden bij Live Aid in 1985 zo belangrijk was. Op het hoe en waarom gaat hij verder niet in.

Erger is dat Sky zo onbeholpen schrijft en redigeert. Nietszeggende interviews met randfiguren uit het leven van Mercury worden eindeloos geciteerd, aardige anekdotes worden tot vervelens toe herhaald. Waarom The Show Must Go On in de muziekpers lovend is onthaald, is mij een raadsel. De componist van briljant-decadente liedjes als "Killer Queen' en "I'm Going Slightly Mad' had beslist meer verdiend dan deze triviaalbiografie.

Rick Sky: The Show Must Go On - Het leven van Freddie Mercury. Vert. Rob Pijpers. Uitg. BZZTôH, 184 blz. Prijs ƒ 9,95.

Als er niet zoveel bijzondere foto's in stonden, zou Dylan, A Man Called Alias van Robin Williams de zoveelste overbodige bijdrage zijn aan de maandelijks groeiende Bob Dylan-bibliotheek. Het biografische essay dat Williams in vette lettertjes naast de 140 kleuren- en zwartwitportretten schreef, heeft weinig nieuws te bieden na de dikke biografieën die Robert Shelton, Bob Spitz en Clinton Heylin de afgelopen jaren publiceerden. Maar op de voorbeeldig afgedrukte foto's raakt de Dylanfan niet gauw uitgekeken.

Zoals de titel van het boek al doet vermoeden, toont Williams' fotoselectie de Proteus van de rock 'n' roll in al zijn gedaanten: als de verlegen tiener uit Hibbing, Minnesota, als de folkgitarist uit Greenwich Village, als de verlopen superster uit het eind van de jaren zeventig, en ten slotte als de herboren grand old man van de popmuziek. De foto's mogen dan niet allemaal even onbekend zijn, er zitten er genoeg tussen die na een paar keer doorbladeren nog steeds verrassend zijn. De foto van Dylan en Allen Ginsberg bij het graf van Jack Kerouac bijvoorbeeld; of die waarop Dylan door de tralies van de gevangenis praat met Ruben "Hurricane' Carter, de onschuldig veroordeelde bokser aan wie hij in 1975 zijn laatste protestsong wijdde.

Richard Williams: Dylan, A Man Called Alias. Uitg. Bloomsbury, 192 blz. Prijs ƒ 66,70 (geb.)

In Born in the U.S.A. beschrijft de cultuursocioloog Timothy Scheurer de manier waarop liedjesschrijvers door de eeuwen heen zijn omgegaan met "de mythe van Amerika': het idee dat Amerika een paradijselijk, door God uitverkoren land is waar dankzij de opofferingen van haar founding fathers iedereen kansrijk en in vrijheid kan leven. Aan de hand van tekstanalyse van enkele tientallen songs uit de Amerikaanse muziekgeschiedenis reconstrueert Scheurer allereerst hoe begrippen ("mythemes') als manifest destiny en opportunity via Puriteinse psalmen en strijdliederen uit de Revolutietijd in de populaire muziek terecht kwamen. Hij schetst de historische context van enkele patriottische liederen ("The Star-Spangled Banner', "America The Beautiful', "God Bless America') en legt uit wat de Amerikanen er zo in aanspreekt. Tenslotte betoogt hij dat in de tweede helft van de twintigste eeuw het mythische beeld van Amerika op zijn kop is gezet: in de folk van Woody Guthrie en de rock van onder meer Bob Dylan, Randy Newman, Lou Reed, Bruce Springsteen is Amerika niet langer meer een "Nieuw Eden' maar een onmachtige gemeenschap van gefrustreerde dromers.

Er is wel het een en ander aan te merken op het Born in the U.S.A. Wie met zulke grote stappen door de geschiedenis gaat als Scheurer, kan nooit het hele terrein bestrijken; zo kan het gebeuren dat noch de Beach Boys, noch Sly Stone, noch Elvis Presley in het verhaal voorkomen. Bovendien is het vervelend dat Scheurer wegens de absurd strenge copyrightregels in Amerika geen enkele zin mag citeren uit twintigste-eeuws materiaal. Maar zelfs met die handicaps is Born in the U.S.A. een heldere en inspirerende studie, die een nieuwe kijk biedt op de Amerikaanse popsong. Het effect was nog groter geweest als de "soundtrack' van Scheurers verhaal op cd aan het boek was toegevoegd.

Born in the U.S.A. - The Myth of America in Popular Music from Colonial Times to the Present. University Press of Mississippi, 280 blz. Prijs ƒ 74,30.

Voor het fraai uitgegeven koffietafelboekje Profiel (uitg. Luitingh-Sijthoff, 125 blz, ƒ 29,90) portretteerden fotograaf Lex van Rossen en journalist Peter Bruyn zestig popmusici die in hun ogen "de contour van de hedendaagse rockmuziek' vormen. De foto's, van onder anderen Candy Dulfer, Chuck D, Nick Cave, Nils Lofgren, John Hiatt, John Cale en Gavin Friday, zijn stemmig zwart-grijs en allemaal en profil, de bijbehorende interviewfragmenten beslaan een halve bladzijde en worden ingeleid door mini-biografietjes van ongeveer dertig woorden. Hoewel de artiesten zeer verschillende dingen zeggen en ook uiterlijk niet op elkaar lijken, is Profiel geen boek om achter elkaar uit te lezen; daarvoor is het stramien te dwingend. Wie meer dan tien profielen heeft bekeken, snakt naar een zanger die recht in de lens kijkt, of naar een muzikant die niet na drie alinea's stopt met praten.