Jacqueline Harpman: Het strand van Ostende. Vert. ...

Jacqueline Harpman: Het strand van Ostende. Vert. Eef Gratama en Jelle Noorman. Uitg. Thoth, ƒ 34,50.

Pascal Lainé: Afscheidsdiner. Vert. Willem Kurstjens en Frans Stoks. Uitg. De Geus, ƒ 32,50.

Anne François: Zonder haar. Vert. Babet Mossel. Uitg. Arena, ƒ 34,50.

Marie Nimier, Valse bekoring. Vert. RTC-Groningen o.l.v. Pauline Sarkar. Uitg. De Arbeiderspers, ƒ 36,90.

Jean-Philippe Toussaint: De aarzeling. Vert. Marianne Kaas. Uitg. Van Gennep, ƒ 29,50.

De Waalse schrijfster en psychoanalytica Jacqueline Harpman laat in Het strand van Ostende de bejaarde Emilienne terugkijken op haar leven dat in het teken van één grote hartstocht heeft gestaan: haar allesoverheersende liefde voor de schilder Léopold. Als keurig klein meisje, elf jaar oud, ontmoette zij hem in een Brusselse salon van een van haar moeders vriendinnen. Vanaf dat eerste moment is ze voor haar leven verkocht en ontwikkelt met koele, fanatieke berekening een strategie om zijn liefde te winnen.

Léopold is aanvankelijk jong, onbekend, geniaal en straatarm, zoals het hoort, en volstrekt onkundig van de hartstocht die het kleine meisje voor hem koestert. Tot hij het schilderij Het strand van Ostende schildert. Het leven van beiden ontwikkelt zich niettemin volgens de conventies van de gezeten burgers: ze huwen "passende' partners. Hij om geld en zij om haar vrijheid te verwerven, vanuit de 19de-eeuwse moraal dat een meisje zich geen verhouding kan permitteren, maar een gehuwde vrouw wel een "affaire', mits daarbij de nodige discretie in acht wordt genomen. Hun passie blijft passie, want zij wordt nooit aan de realiteit van het dagelijks leven getoetst. Als een stralend, onveranderlijk romantisch ideaalbeeld van de grote liefde zal ze Emilienne's leven bepalen, ook na Léopolds dood. Sentimenteel is deze liefdesgeschiedenis zeker niet, eerder meedogenloos in de nietsontziende manier waarop Emilienne niet alleen met gevoelens van anderen, maar ook met zichzelf omspringt om het ideaal te bereiken. En passant geeft Harpman in haar kloeke roman ook een uitvoerig, soms humoristisch beeld van het voor- en naoorlogse Brussel van de welvarende Belgische bourgeoisie.

Jacqueline Harpman: Het strand van Ostende. Vert. Eef Gratama en Jelle Noorman. Uitg. Thoth, ƒ 34,50.

Ook Pascal Lainé blikt in zijn Afscheidsdiner terug op een jeugdliefde, maar van een heel ander soort. Met een afstand van dertig jaar ontleedt een man tot in de kleinste details de grote liefde die hij als scholier heeft gekoesterd voor het meisje Ellita, een liefde die een levenslang stempel op zijn latere betrekkingen met vrouwen lijkt te hebben gedrukt. Hier geen berekende strategie of rotsvaste overtuiging, maar de grenzeloze onzekerheid van de adolescent die nog niet weet hoe hij zijn eigen gevoelens en die van anderen moet duiden en hanteren. Die onzekerheid wordt in dit geval nog versterkt door de gapende kloof tussen de sociale achtergrond van de geliefden, want hij is uit een benepen middenstandsmilieu afkomstig, terwijl zij de laatste telg is uit een Pruisisch aristocratengeslacht en door haar erudiete, kosmopolitische grootvader wordt opgevoed. Wat in zijn dromen ontstaat is dan ook geen meisje van vlees en bloed, maar het beeld van een verheven, aanbeden maagd. Confrontatie met de realiteit kan dus niet anders dan een tragische afloop hebben.

Vanaf Lainé's allereerste roman De Kantwerkster (1974) weten we dat hij een meester in delicate psychologische ontrafeling is. Toch is het moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat in deze nieuwe roman de fijnzinnige beschrijving van de adolescente zieleroerselen in combinatie met de weinig verrassende algemene psychologische bespiegelingen van de volwassen verteller te veel van het goede is en ten koste gaat van de lijn en kracht van het verhaal en dat op uiterst elegante, fraaie wijze wel erg veel open deuren worden ingetrapt.

Pascal Lainé: Afscheidsdiner. Vert. Willem Kurstjens en Frans Stoks. Uitg. De Geus, ƒ 32,50.

Perioden van ernstige of fatale ziekte die de fundamenten van het bestaan aan het wankelen brengen en tot geestelijke inkeer en loutering of groter inzicht in het eigen ik leiden, zijn van oudsher een favoriet romanthema. Toch heeft de korte roman Zonder haar van de jonge Waalse schrijfster Anne François waarin de balletdanseres Cécile W. maandenlang vecht met de ziekte van Hodgkin, een bijzondere dimensie. Het gaat hierin namelijk niet om het verslag van één, maar van twee mensen. In dagboekachtige fragmenten doen Cécile zelf en haar behandelende arts Venardois, die op een merkwaardige verwrongen manier op haar verliefd raakt zonder dat te kunnen uiten, verslag van persoonlijke en klinische veranderingen. Beiden zitten in zichzelf opgesloten. Zij gebruikte de ascetische zelftucht van het balletdansersbestaan als beschermend pantser tegen zichzelf en de buitenwereld en wordt, als elk uitzicht op een balletcarrière wegvalt, met een leeg leven geconfronteerd. Hij koesterde schuldgevoelens jegens zijn overleden vrouw, is doodsbang voor vrouwen en heeft zich verschanst in zijn rol van arts, met alle verwrongen superioriteitsgevoelens die daarbij horen. Beiden maken een ontwikkeling van verzet, wanhoop en zelfinkeer door, maar hun werelden zullen elkaar nooit raken. Voor Cécile bestaat Vanardois alleen als arts en niet als man, voor hem is Cécile het middelpunt van zijn leven geworden en is haar ziekte alleen een middel om haar in zijn macht te krijgen.

Het is een beklemmend, uitstekend geschreven verhaal. François gebruikt sobere, bijna karige middelen - flitsen, geconcentreerde fragmenten - die eerder duiden dan beschrijven en hanteert een poëtische, van alle pathetiek gespeende taal die ook in de vertaling goed tot zijn recht komt.

Anne François: Zonder haar. Vert. Babet Mossel. Uitg. Arena, ƒ 34,50.

Een zangkoor is bij uitstek een plaats waar mensen verenigd zijn met verschillende maatschappelijke achtergronden, maar met één gemeenschappelijk kenmerk: liefde voor muziek en een goede zangstem. Marie Nimier heeft in haar Valse bekoring het tachtig leden tellende amateurkoor De Celestijnen dan ook beschreven als een wereld in een notedop. De onderlinge intriges, liefderelaties, jaloezie, geheime ambities en machtsstrijd tussen de verschillende koorleden vormen de nogal vermakelijke achtergrond, waartegen zich slechts een paar figuren aftekenen die meer zijn dan amusante typetjes. In de eerste plaats de jonge dirigent Thomas Morhange, die met alle geweld een volkomen onbekend koorwerk getiteld "De dood van een waterlelie' uit wil voeren dat, naar zijn zeggen, door een ten onrechte in vergetelheid geraakte overgrootvader is geschreven. Mystificatie of niet? Dan is er zijn geliefde Nouche, de door machtswellust verteerde administrateur Médard en de sloverige, alcoholische Ratje. Het wat warrige, maar onderhoudende verhaal bestrijkt de repetitieperiode van het mysterieuze muziekwerk en heeft een onverwachte ontknoping.

Marie Nimier, Valse bekoring. Vert. RTC-Groningen o.l.v. Pauline Sarkar. Uitg. De Arbeiderspers, ƒ 36,90.

Het is niet verbazingwekkend dat de romans van Jean-Philippe Toussaint zich uitstekend laten verfilmen, zoals met zijn drie eerdere boeken al is gebeurd. Het visuele, het zonder nadere toelichting in beelden uitdrukken is zijn grote kracht. Zijn nieuwe roman De aarzeling beschrijft hoe een naamloze ik-figuur (van wie pas halverwege het boek duidelijk wordt dat het om een man gaat) met een baby zijn intrek neemt in een pension in een triest havenplaatsje, waar hij van plan is kennissen te bezoeken. Tot een bezoek komt het niet, hij aarzelt lang, ontdekt steeds meer onheilspellende aanwijzingen en voortekenen voor een complot. Of ontwikkelt zich een persoonlijke paranoia? Alles op zichzelf lijkt normaal en rationeel, maar de som van de delen is onwerkelijkheid. Een "verhaal' in de eigenlijke zin van het woord is er niet - in feite gebeurt er helemaal niets, behalve in het hoofd van de man - maar de lezer raakt volkomen in de ban van het rusteloos, koortsig combineren en deduceren van de indicaties die de ik-figuur meent te ontwaren. Verleden en toekomst bestaan niet, alles speelt zich af onder de beklemmende stolp van het heden. En weer die prachtige beelden die keer op keer opdoemen en niet alleen de hoofdfiguur, maar ook de lezer blijven achtervolgen en voortjagen - de dode zwarte kat met een vissekop in zijn bek die in de haven drijft, de glazen terrasdeur die dicht, open, op slot of juist niet op slot is, het geheimzinnige eiland met de rondwentelende vuurtoren, het dorpsplein met de eenzame oude auto. Een knap boek, waarmee Toussaint eens te meer bewijst dat hij het etiket van belangrijk en volstrekt oorspronkelijk schrijver dat hem vanaf zijn debuutroman De badkamer is opgeplakt in alle opzichten verdient.

Jean-Philippe Toussaint: De aarzeling. Vert. Marianne Kaas. Uitg. Van Gennep, ƒ 29,50.