IJzer geen ijzer laten zijn; De rebussen van Pieter Laurens Mol

Net als Joseph Beuys en Jannis Kounellis heeft de in Nederland niet zo bekende Nederlander Pieter Laurens Mol een groot vertrouwen in de symbolische kracht van materialen als lood, ijzer en teer. Zijn beste werken ontroeren, maar het is moeilijk precies te zeggen waarom. Een dode kauw en een stapel dakpannen? Vleeshaken en een ring?

Tentoonstellingen: Pieter Laurens Mol. Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. T/m 18 april. Di t/m zo 11-17u. Catalogus ƒ 50,-.

Ferro Fever. ICA, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. T/m 18 april. Di t/m zo 11-17u, do tot 21u.

Bij Pieter Laurens Mol is niets zonder betekenis. Een wit schilderijtje uit 1976, waarop met potlood twee diagonalen zijn getrokken, verandert dankzij de suggestieve titel, Angst en Moed, in een diagram van het menselijk bestaan. De zaal waarin dit schilderij hangt, staat in het teken van stijgen en vallen, zo blijkt uit een ander werk, Icarus Bloemen (1986).

De expositie van Mol in het Van Abbemuseum is geen gewone retrospectieve waarbij een ontwikkeling van twintig jaar chronologisch te volgen is. De werken zijn thematisch gerangschikt. De tocht door de tien zalen van het oude museumgebouw voert langs verschillende onderwerpen die verband houden met kunst en kunstenaarschap: melancholie, de invloed van oude meesters, het effect van emotie en verstand, de vergetelheid en tenslotte de kwetsbaarheid en vluchtigheid van de kunst. Mol beschouwt de tentoonstelling zelf als een schip. De brug bevindt zich in de grote zaal midden in het museum tegenover de ingang. Hier wordt het vaartuig bestuurd en in balans gehouden. Niet voor niets heeft een van de eerste werken op de tentoonstelling, Muiterij Lyriek (1992), een geuzenlied als uitgangspunt. Loodgrijze "regels' van verzinkt staal bedekt met scheerschuim doen denken aan Hollandse luchten en schuimkoppen op zee. Tegelijk visualiseert het een strofe van het geuzenlied, 'Malcand'ren trouw'lijck biet de hand'.

Spiegel van het Noodlot is een ander karakteristiek werk. Het hangt in de "stuurhut' en bestaat uit een vooroverhellend houten paneel dat met giftige loodmenie is beschilderd. Naast het paneel hangt een weegschaal aan een stalen draad en op een zwart-wit foto staat een man die met een been door de zitting van een stoel is gezakt. Het streven naar evenwicht en harmonie, lijkt Mol door de combinatie van materialen te vertellen, is niet zonder gevaar en gaat gepaard met mislukkingen.

Voor Mol (1946), die een opleiding als timmerman kreeg en van 1963 tot 1965 aan de kunstacademie in zijn geboorteplaats Breda fotografie studeerde, is de omgang met materialen essentieel. Hij is geen mysticus, surrealist of alchemist, zoals hij nogal eens wordt genoemd. Hij voelt zich in de eerste plaats een handwerksman, wat ook blijkt uit zijn zorgvuldige keuze en behandeling van materialen. Mol past in de traditie van de zestiende- en zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst: realisme met een boodschap. Zelfs als "alchemist' blijft hij oer-Hollands, zo vertelde hij eens interview. Op een tentoonstelling stal het publiek de loden eieren die hij van te voren goed had verzekerd, uit een van zijn kunstwerken, waardoor ze alsnog in "goud' veranderden.

Jan Steen

Mols verwijzingen naar de Hollandse schilderkunst zijn voor iedereen herkenbaar. Foto's van een vissertje in het riet en van een stilleven leveren zulke vertrouwde beelden op dat men pas in tweede instantie ziet dat de visser de hengel niet voor maar achter zich heeft en de voorwerpen in het stilleven op hun kop op de tafel zijn gezet. In andere gevallen bieden titel of teksten uitkomst: Les Guirlandes de Bruegel, Het Legaat van Delft - C. Fabritius. Mol probeert aan bekende voorwerpen en materialen onverwachte betekenissen te ontfutselen. Een klomp, een pollepel, een vogelhuisje of een ton raken, overdekt met teer en voorzien van een toepasselijke titel, uit hun gewone doen. Het lijkt wel een huishouden van Jan Steen. Of is het schip in zwaar weer terechtgekomen?

De beste werken van Mol hebben iets paradoxaals, ze zijn raadselachtig en helder tegelijk. Ze ontroeren, maar het is moeilijk precies te zeggen waarom. De ingelijste foto van een dode kauw en de stapels grauwe dakpannen die ervoor op de grond liggen, vormen samen een indringend en melancholiek beeld van vervlogen tijden. Het is allemaal onherroepelijk voorbij: de vogel is dood en het huis is afgebroken.

De Schacht der Vergetelheid (1987) bestaat uit vijf glazen trechters, een langgerekt, diep zwart geteerd vlak vol craquelures en drie roestige bandzagen. Het geheel is gevat in een stalen frame. Het lijkt of de transparante trechters niet alleen visueel een tegenwicht vormen tegen dreigende ouderdom en vernietiging, ze kanaliseren ook de brede stroom zodat de essentie bewaard kan blijven.

Een van de laatste werken op de tentoonstelling, het elegante Maiden on the Drift (1992) heeft de zee tot onderwerp. Hier roept een kleurenfoto van golven in combinatie met "druppels' van parelmoer en blauwe zijden draadjes een sfeer van kwetsbaarheid op.

Deze beschrijvingen en interpretaties sluiten overigens het leggen van andere accenten of verbanden niet uit. Juist door de openheid en de mengeling van zintuigelijke en literaire elementen blijft het werk van Mol intrigeren. Wanneer de gelaagdheid en complexiteit ontbreken, krijgen zijn werken het karakter van een rebus, zoals bijvoorbeeld S.O.S.-Pendulum 1990), twee ijzeren, s-vormige vleeshaken en een ring aan een zijden draadje.

Mars

Mol heeft vooral in het buitenland succes. De belangstelling in Nederland bleef daarbij achter. Deze "achterstand' wordt nu in een klap ingehaald. Gelijktijdig met de retrospectieve in Eindhoven, organiseert het Institute of Contemporary Art (ICA) in Amsterdam een expositie van Mol met als thema Mars, de god van de oorlog en de gelijknamige planeet waarop rood ijzeroxyde te vinden is. Ferro Fever is de titel van deze tentoonstelling en van een serie bewerkte briefkaarten met foto's van de verwoestingen die de Eerste Wereldoorlog aanrichtte in Franse steden en dorpen. Vooral door het gebruik van roestig ijzer(draad), spijkers, hoefijzers, distels, gebroken flessen, glanzende kogels en verf met de kleur van geronnen bloed tracht Mol de vernietigende kracht van oorlog en mannelijke agressiviteit zichtbaar te maken. De esthetische aantrekkingskracht die geweld uitoefent, komt het duidelijkst naar voren in de kleinere werken. Het grote geschut dat Mol met Angles of Incidence (1989) in stelling brengt, is letterlijk te zwaar beladen met allerlei betekenissen, waardoor het zijn stootkracht verliest.

Door de beperking tot één thema en de omvang van de tentoonstelling treedt in het ICA nogal eens herhaling op. Overkill is de indruk die het geheel op mij maakte. Net als Beuys en Kounellis heeft Mol een groot vertrouwen in de symbolische kracht van eenvoudige materialen. Vooral bij een te veel van hetzelfde treden de zwakke kanten van deze benadering aan het licht. De verveling slaat toe, de magie verdwijnt en ijzer wordt weer gewoon ijzer. Alleen verrassing en variatie kunnen dan de belangstelling van de toeschouwer levendig houden, zoals in Eindhoven blijkt. Een keuze uit Ferro Fever zou een goede aanvulling zijn op de Eindhovense retrospectieve die in Europa en Amerika gaat rondreizen. De martiale aspecten zouden dan een zinvol tegenwicht bieden tegen de meer bespiegelende en poëtische kwaliteiten van Mols oeuvre.