Hyper-autoreflexief

Hans Faverey is een ondoorgrondelijke dichter. Rein Bloem is ook een ondoorgrondelijke dichter. Wanneer dus Rein Bloem de Verzamelde gedichten van Hans Favery bespreekt, zoals deze week gebeurt in De Groene, dan ontstaat er een ondoorgrondelijkheid in het kwadraat, die het wonderlijkste proza oplevert dat mij in jaren onder ogen is gekomen.

Zo schrijft Bloem: “In de laatste, posthuum verschenen bundel Het ontbrokene - een titel die een gat in de tijd, even vanzelfsprekend als onmogelijk, laat vallen, dat zowel achteruit als vooruit te beleven is - herkennen wij veel van de mythologische figuren, die al eerder met of zonder naam hun steentje heben bijgedragen en die nu nog eenmaal op het appèl verschijnen, in een samenspel dat je niet voor mogelijk houdt.” De vraag die onmiddellijk bij het lezen van zo'n zin opkomt is deze: hoe kan een gat in de tijd zowel vooruit als achteruit beleefd worden?

Moeilijk te zeggen.

Om zijn woorden te verduidelijken citeert Bloem het volgende gedicht van Fevery:

Iemand, die in de verte

haast aan een jockey doet denken,

opent met moeite het portier

en valt als een steen uit de buik

van zijn paard. Geleund op zijn riemen,

voor anker in zijn nimmer aflatende schemer,

herinnert zich mijn veerman de eeuwige

plannen voor een tunnel en glimlacht,

nog even liploos als altijd.

Bloem probeert dit gedicht zo uit te leggen:

“De held in de verte is zo uit een film gestapt, zo'n Amerikaanse gangsterfilm, die voor dood uit een Buick rolt en te paard zit of niet meer, de wedstrijd lijkt voorbij, als Odysseus valt hij uit het paard van Troje, maar geen list zal hem hier baten, de veerman Charon die hem naar de andere wereld zal brengen, weet dat de slimmerik op de gewone manier zal moeten oversteken, dat het gevecht met de engel voorbij is, dat Engelland niet ondergronds is te bereiken en confrater Achilles staat er woordeloos bij en kijkt er naar.”

Zou het? Hoe kun je uit een Buick rollen, als je op een paard zit? En waar haalt Bloem opeens Achilles vandaan? Die komt in het hele gedicht niet voor. Als iemand er zwijgend bij staat, dan is dat Charon zelf, want die - zo meldt de dichter - is nog even liploos als altijd.

Het bespreken van Favery's poëzie lijkt een ondankbare opgave. In HP-De Tijd probeert Goedegebuure het ook. Bij een gedicht komt hij tot de conclusie “dat het een protocol geeft van zijn eigen ontstaansgeschiedenis, dat het tautologisch en hyper-autoreflexief is, dat het vragen stelt in de vorm van bevestigingen, en zo verder”. Dat klinkt vooral geleerd, maar als je er wat langer over nadenkt, lijkt het niets anders dan een understatement voor een eindeloos staren naar de eigen navel. Dikwijls heb ik getracht om de poëzie van Favery te doorgronden, maar het is mij nimmer gelukt. Ik verbeeld mij dat het geen onwil is, want ik ben bereid de moderne poëzie te aanvaarden als een associatieve mecanodoos, waarmee je allerlei staketsels kunt bouwen.

Maar hoe meer ik mij in het werk van Favery verdiep, hoe meer het mij gaat tegenstaan. Diep verborgen zit er iets heel provinciaals in die moedwillige hermeneutiek. Iets oer-Hollands ook, een kurkdroge geest, die wanhopig op zoek is naar een vorm van diepzinnigheid. Favery schreef: “Wat te doen? Verspreidt/ de stilstand zich met/ onmogelijke snelheid?/ Is dit nog riet dat daar wuift, of wordt er alleen nog gewuifd/ in taalresten op een vlakke rond/scherm in een krimpend centrum?”

De poezië van Favery is voor mij meer poezey.