Hondentrouw

We zaten aan de hondebrink;

Hij kwispelde en hield zich flink.

Omdat hij niet huilen kan met tranen,

Mag je hem nog niet gevoelloos wanen.

Je noemde hem een stomme hond:

Dacht jij dat hij dat niet verstond?

Een hond heeft hele scherpe oren,

Zelfs zacht gefluister kan hij horen.

Omdat hij niets terug kan zeggen,

Zijn poot niet op zijn hart kan leggen,

Alleen maar met zijn staart kan vlaggen,

Hoef je hem toch niet uit te lachen?

Door zo gedachteloos te kletsen

Kun je hem in zijn gevoelens kwetsen.

Al kun je hem met gemak bedriegen,

Tegen een hond mag je nooit liegen.

Hij blijft je immers altijd trouw,

Wat je ook van hem zeggen zou.

Kijk hoe hij kijkt, die arme hond,

Hij is tot in zijn ziel verwond.

elke overlegging mijdend