Het Nederlandse circus in de jaren vijftig; Zand, zaagsel en burgerzin

Dick H. Vrieling: De Vijf Vijftigers. Het Nederlandse circus in 1950-1960. Uitg. Club van Circusvrienden Nederland, 72 blz. Prijs ƒ 24,90.

Geen kunstvorm zo romantisch als de circuskunst. Brand in de dierenverblijven, ongelukken aan de trapeze, heroïsch verzet tegen schijnbaar verpletterende belastingaanslagen en de klopjacht op ontsnapte tijgers of olifanten - het hoort er allemaal bij en het draagt in hoge mate bij aan het beeld van de circus-artiest als de laatste der reizende potsenmakers, opererend buiten de wetten en begrenzingen van de burgermaatschappij. Maar wanneer leest men in de krant nog over zo'n brand, ongeluk, belastingaanslag of klopjacht?

In de jaren vijftig vonden de publiciteitsmannen van de circussen - zelf al legendarische figuren - nog volop emplooi voor hun sensationele nieuwtjes. Er werd naar hartelust gelogen om bestwil om het circus weer in de krant te krijgen, en als er helemaal niets aan de hand was, kon er altijd nog een jubileum worden gefabriceerd. Het circus stond in het middelpunt van de aandacht.

“Vroeger kreeg het circus nog de speelplaats midden in het centrum van een stad,” luidt een bijschrift in De Vijf Vijftigers, de al te gekunstelde titel van een hoogst onderhoudend boek over de vijf Nederlandse circussen uit de jaren vijftig: Boltini, Mikkenie, Mullens, Strassburger en Van Bever. Met de hartstocht van de ware bewonderaar heeft Dick H. Vrieling, hoofdredacteur van het circustijdschrift De Piste, zich een weg gebaand door de verhalen en de knipsels die uit die gloriejaren zijn overgebleven. In vijf hoofdstukken vertelt hij honderduit over de voor- en tegenslagen, de kleurrijke avonturen en de prominente plaats die het circus toen innam.

Salonwagen

Dat ene bijschrift spreekt al boekdelen - nu verrijzen de bonte tenten allang niet meer op de Grote Markt van de oude binnenstad; ze zijn door de gemeentebesturen naar de rafelranden van de stad verwezen. De tijd dat de burgemeester op de première kwam en vóór de voorstelling in de salonwagen van de directie werd ontvangen, is voorgoed voorbij. Vrieling kan uit de eerste hand nog zo'n directievertrek beschrijven: “De salonwagen kende een voorportaal, dan twee deuren met glas en lood die toegang gaven tot de echte salon met een compleet bankstel en een glimmend gepoetste kolenhaard onder een heuse schoorsteenmantel die getooid was met een krullige en prachtig geslepen spiegel. Naast de schoorsteenmantel was nog een deur die toegang gaf tot de slaapkamer van de directie. De romantiek van zand en zaagsel vermengd met onvervalste burgerzin.”

Van de vijf circussen die Vrieling portretteert, is er één (Boltini) die pas in de jaren zestig tot volle wasdom kwam en tot 1980 bleef bestaan. De andere vier hebben de jaren zestig niet eens gehaald. De opkomst van televisie, de caravan en de buitenlandse vakantie maakten er een eind aan. “Kijk, het is niet zo dat we niet meer kennen,” zei circusdirecteur Guus van Bever in 1960. “We kennen best. Als ik morgen aan de telefoon ga zitten, reizen we overmorgen weer. Het is geen kwestie van niet kennen; we zijn het alleen moei.” Een beetje grootspraak was dat wel, want langzaam maar zeker werd het Nederlandse circus naar de marge gedrongen. Maar grootspraak, leert Vrieling, was dan ook een wezenskenmerk van de circussen die hij met zoveel liefde heeft beschreven.