Fluisteringen in het oor; Nederlandse biografie van Ben Webster

Jeroen de Valk: In a Mellow Tone, het Levensverhaal van Ben Webster. Uitg. Van Gennep, 184 blz. Prijs ƒ 34,50.

“Hij verfde zijn haar. Rens herinnerde zich dat hij altijd voordat hij op de bank ging liggen een zakdoek neerlegde. Misschien gebruikte hij wel schoensmeer. Hoewel hij verschrikkelijk dik was geworden, bleef hij een beetje ijdel.” Dit citaat uit de proloog van In a Mellow Tone, Het levensverhaal van Ben Webster zegt iets over deze saxofonist maar ook over Jeroen de Valk, de schrijver van het boek. Anekdotiek, daar moet een biografie het van hebben, zo luidt het impliciete credo van deze Parool-journalist die eerder een boek over Chet Baker vervaardigde. Opvallend zijn de overeenkomsten tussen Baker en Webster. Beiden zijn uitgesproken lyrische solisten, beiden overleden in Amsterdam en beiden waren verwende moederskinderen, altijd op zoek naar een geduldige verzorgster. Zij het soms tegen wil en dank, zoals Ben Webster vertelt: “Mijn moeder wilde een Kleine Lord van me maken, met zo'n kanten kraagje. Al mijn vriendjes riepen: Sissy with the violin, sissy with the violin, wat haatte ik die viool.”

Wat Webster wel wilde, stond hem op zijn twintigste helder voor ogen: net zo'n kerel worden als Coleman Hawkins. Hij bestudeerde de solo's van deze koning van de jazz-saxofoon, volgde zijn idool op in het orkest van Fletcher Henderson en kreeg in 1938 te horen dat het hem "eindelijk gelukt was precies als Hawk te klinken.' Ben Webster werd wakker en ging vanaf dat moment werken aan een eigen stijl die tot bloei kwam in het orkest van Duke Ellington (1940-1943). “Een warm sensueel geluid, alsof hij een geliefde iets in het oor fluisterde,” zo typeert De Valk het. Ook het effect van Websters sound weet hij mooi te beschrijven: “Hij bracht je naar bed, dekte je toe en vroeg of het licht in de gang aan moest blijven.”

Na de Ellington-periode begint Webster voor zichzelf, maar hij krijgt zijn schaapjes nooit echt op het droge, deels door botte pech maar ook door grillig en onzakelijk gedrag. Ook in zijn Europese tijd (1964-1973) gooit hij herhaaldelijk zijn eigen glazen in. Maar tot troost is er alcohol, gelukkig voor Webster maar ook voor zijn biograaf die van andermans "innemen' een ware kick lijkt te krijgen. Ging het in de Baker-biografie om de heroïne-spuit, bij Webster staat voortdurend de fles op tafel. Alleen al in de laatste hoofdstukken van het boek wordt minstens vijftig keer naar alcohol verwezen. Soms vermengd met tranen, want "Ome Ben' werd steeds sentimenteler. Ook verder was Websters leven een nogal vochtige affaire. In zijn jonge jaren redde hij menig jazztalent van de verdrinkingsdood en als hij in 1964 voor een Europese toernee uitgenodigd wordt, reist hij veiligheidshalve per boot. Een boek met een lach en een traan dus, met heel veel citaten en helaas zonder discografie.