Filmkeuring heeft breed draagvlak; Ook de voorstanders van zelfregulering willen de huidige filmkeuring laten voortbestaan

Minister d'Ancona van WVC heeft in de Tweede Kamer forse kritiek gekregen op haar voorstel voor een andere opzet van de filmkeuring. De bewindsvrouwe wil (net als haar collega van Justitie) de onafhankelijke filmkeuring afschaffen en bedrijfsleven of bioscopen voortaan zelf laten bepalen welke film geschikt is voor jongeren onder de zestien jaar.

In NRC Handelsblad van 6 februari verdedigt J.H.J. van den Heuvel - schrijver van het rapport Film en Overheidsbeleid - het voorstel van de minister van WVC door te stellen dat “de maatschappelijke pluriformiteit de bodem onder de vanzelfsprekendheid van de filmkeuring heeft weggehaald”.

De vaste Kamercommissie voor welzijn en cultuur beklemtoonde tijdens het overleg met de minister de kwaliteit van de huidige filmkeuring. De grootste regeringspartij, het CDA, wil niet alleen de huidige situatie handhaven, maar streeft duidelijk naar het verbreden van het takenpakket.

In de media is er de afgelopen dagen veelvuldig gediscussieerd over de vraag of het bedrijfsleven de plaats van de onafhankelijke filmkeuring kan innemen. De teneur van de meeste reacties laat aan duidelijkheid niets te wensen over. “Het is belangrijk dat de onafhankelijke filmkeuring blijft bestaan, anders is het einde zoek” en “bioscopen zouden uit winstbejag weleens bepaalde normen uit het oog kunnen verliezen” zijn opmerkingen die aansluiten bij het onderzoek van de Rijksuniversiteit Leiden, waarin wordt vastgesteld dat ruim negentig procent van de bevolking achter de huidige onafhankelijke filmkeuring staat. Er blijkt dus een groot verschil te bestaan tusen de waardering van Van den Heuvel en de dagelijkse praktijk zoals die door de samenleving wordt ervaren.

Er is een Kamermeerderheid voor zelfregulering door het bedrijfsleven, dat is een politiek feit. De dagelijkse werkelijkheid laat echter zien dat zelfregulering een gepasseerd station is. Onlangs is de minister van WVC teruggekomen op haar besluit nieuwe reclameregels door direct betrokkenen te laten opstellen en uitvoeren. De grens van de tolerante maatschappij lijkt te zijn bereikt, want de overheid schrikt er niet voor terug op grote schaal speelautomaten te verbieden en de steeds verder oprukkende verslavings-ideologie van de drank- en tabaksindustrie een halt toe te roepen. Wanneer het gaat om de geestelijke gezondheid van jongeren tot en met zestien jaar in de bioscoop, wordt er een beroep gedaan “op de versterking van de maatschappelijk verantwoordelijkheid”. Op deze manier is het kabinet een gevangene van zijn eigen dogma: de overheid op afstand, en blijkt de strijd tegen normvervaging alleen een papieren tijger.

De resultaten met het experiment in de videobranche leren dat films maar matig worden gecodificeerd en dat de voorlichting over films in de videotheek slecht is verzorgd. Het hele systeem is niet verder gekomen dan de etiketten zestien jaar, twaalf jaar of alle leeftijden op de achterzijde van video's te plakken.

De leden van de vaste Kamercommissie voor welzijn en cultuur hebben de notitie van de beide ministers van zeer kritisch commentaar voorzien. Het zal dan ook niemand verwonderen dat men de huidige situatie niet wenst aan te tasten. Dat laatste staat haaks op “medelijden hebben met het opheffen van de filmkeuring” zoals Van den Heuvel het op de opiniepagina verwoordde. De Kamerleden "jammerden' niet, maar stelden vast dat de huidige filmkeurig een kleine, slagvaardige en financieel zeer voordelige organisatie is, die bij ouders, opvoeders en jongeren op waardering kan rekenen. Ook de voorstanders van zelfregulering willen de huidige filmkeuring laten voortbestaan.