Een rotsvast vertrouwen in God, geesten en Shakespeare; Gesprek met de Afrikaanse filosoof Kwame Anthony Appiah

In het Westen is het lang geleden dat literatuur beschouwd werd als de meest sublieme uiting van de kracht van het eigen ras. Volgens de Ghanees-Engelse hoogleraar Kwame Anthony Appiah is deze opvatting inmiddels aan een nieuw leven begonnen - in de Afro-Amerikaanse en in de Afrikaanse literatuurtheorie. Een gesprek met Appiah over panafrikanisme, Afrikaanse solidariteit en de maatschappelijke rol van schrijvers in Afrika. “Bij Tolstoj hoor je nooit iets over hekserij of voorvaderen.”

Kwame Anthony Appiah: In My Father's House. Uitg. Methuen, 366 blz. Paperback verschijnt in maart. Prijs ƒ 34,25-. Joseph Appiah: Joe Appiah - The Life of an African Patriot. Uitg. Greenwood, Prijs ƒ 100,- (geb.)

Lang voordat de Harvardprofessor Kwame Anthony Appiah geboren was, had zijn vader, Joe Appiah, een eerste ontmoeting met de aardmannetjes. Het was in 1935, in de bossen even buiten de Westafrikaanse stad Cape Coast. Het bleek een beminnelijk volkje, dat hem van dienst kon zijn bij het doorgronden van de toekomst. Net als de zeemeermin die hij kort daarvoor al ontmoet had, en de geesten van overledenen waar hij zich vervolgens aan waagde.

Joe Appiah was toen zestien jaar oud en een goede leerling op de Britse kostschool, waar hij met passie Cicero, Virgilius, en Shakespeare las. Hij toonde zich ook een vurig Methodist, maar de blanke minachting voor de macht van Afrikaanse voorvadergeesten en andere wonderen leek hem ongepast, te meer daar de kerk toch zijn voordeel zou kunnen doen met dit beste bewijs voor een leven na de dood. Daarom stelde hij de kwestie op een bijeenkomst van de zondagsschool aan de orde. De dominee, een Ier, nam het niet goed op. “Ik had het geluk dat hij een stotteraar was”, schreef Joe later in zijn autobiografie, die kort na zijn overlijden in 1990 verscheen: de dominee kon slechts uitbrengen dat Appiah door de duivel bezeten moest zijn, en Joe, uit medelijden, liet de zaak verder maar rusten.

Joe Appiah werd een beroemd man in Ghana, zijn vaderland. Als advocaat en politicus verdedigde hij de minvermogenden, en bestreed hij de corruptie onder de machtigen. In de jaren na de oorlog was hij de president van de Westafrikaanse studentenunie in Londen en een groot voorvechter van het panafrikanisme, dat de solidariteit van het zwarte ras predikte. In 1953 trouwde hij met de dochter van sir Stafford Cripps, de minister van financiën in de Labourregering van Attlee.

Kwame Anthony was hun oudste kind; hij groeide op in de oude hoofdstad van de Asanti's, Kumasi; ging in Engeland naar kostschool, studeerde filosofie in Cambridge, en werd hoogleraar aan het Department of African-American Studies van Harvard University. Vorig jaar verscheen van Kwame Anthony Appiah In My Father's House, Africa in the Philosophy of Culture, een reeks essays over Afrikaanse identiteit, in het bijzonder de identiteit van de Afrikaanse schrijvers en intellectuelen.

Overheersing

Er heerst een misverstand over die identiteit, schrijft Appiah in My Father's House. Europeanen en Amerikanen denken dat de ervaring van koloniale overheersing goed vergelijkbaar is met de stigmatisering en discriminatie van negers in Amerika. Dat is niet zo. Met rassenhaat hadden de Afrikanen weinig te maken. Het leven in hun land was immers maar heel oppervlakkig beheerst door het koloniale regime; ze hadden daarom weinig reden om zich ondergeschikt te voelen aan de blanken en werkelijk ressentiment te koesteren. Hun opvoeding was zo doortrokken van inheemse noties dat het ook verkeerd zou zijn om te denken dat hun westerse scholing hen zou hebben vervreemd van hun eigen cultuur.

Het probleem was alleen dat Afrikanen, in hun vrijheidsverlangen, voor het eerst over Afrika zelf moesten gaan nadenken. De enige traditie waar ze op voort konden bouwen was die van de zwarten in Amerika, die als apart ras werden gehaat en veracht, en dus als apart ras hun eigenwaarde moesten zien terug te veroveren. Ze gingen noodgedwongen uit van de eenheid van de Afrikaanse cultuur, een cultuur die iemand tegelijk met zijn huidskleur erft. Ook toen de zwarte Amerikaan W.E.B. Du Bois, die deze solidariteit de naam "panafrikanisme' gaf, rond 1900 tot de conclusie kwam dat ras en cultuur allerminst synoniem waren, dat ras niet meer was dan gedeelde huidskleur, kon hij zich niet werkelijk van het racisme losmaken. Want zonder rassentegenstelling was er ook geen grond voor Afrikaanse solidariteit.

"Mijn vader was beslist geen racist', schrijft Appiah, en dat gold ook voor veel van zijn panafrikaanse medestrevers, maar toch moesten zij gebruik maken van die racistisch gekleurde ideologie, het panafrikanisme - iets anders was niet voorhanden. En sindsdien, gedurende drie vreugdeloze decennia van Afrikaanse onafhankelijkheid, komt volgens Appiah bij het theoretiseren over een Afrikaanse identiteit die ambivalentie van Du Bois steeds weer terug - "dit merkwaardige samengaan van steun zoeken bij het begrip "ras' en de verwerping ervan.'

Korte broek

Ik ontmoet Kwame Antony Appiah in Kumasi, Ghana, waar hij regelmatig terugkeert: de "Garden City of Africa', een stad met brede wegen, hoge bomen, solide huizen, en heel weinig boeken. Op zaterdagavond dansen in de disco's de mannen met hun traditionele zijden toga's over een korte broek. Gieren cirkelen boven de daken, en dat is het enige wat vagelijk herinnert aan Afrikaanse taferelen in de westerse media. De armoede die er moet zijn, is nauwelijks zichtbaar.

Huize Appiah onderscheidt zich met zijn brede veranda's rondom de eerste verdieping niet wezenlijk van de andere huizen in dezelfde straat. De bewoners moeten zich ondanks hun in Ghana legendarische rijkdom veilig voelen: de bewaking beperkt zich tot de tuinman die bij het openstaande hek een dutje doet. De rijzige mevrouw Peggy Appiah - de moeder, schrijfster van kinderboeken en Asantiverhalen - is net zo Brits als haar afkomst deed vermoeden, evenals, op zijn teint na, de 38-jarige zoon.

“In de meeste huizen van Kumasi was in mijn jeugd nauwelijks een boek te vinden”, vertelt Appiah, “maar wij hadden geluk, we hadden er wel duizenden. De eerste literaire opinie die ik me herinner was dat ik niet hield van D.H. Lawrence. Mijn moeder was dol op die boeken, maar ik vond zijn taalgebruik verschrikkelijk - te overdadig. En natuurlijk waren er de Afrikaanse romans die toen net begonnen uit te komen. Achebe met Things Fall Apart voorop, in '59.”

Die eerste roman van Achebe leest als een les in antropologie. Dat heeft de faam van de Afrikaanse literatuur in Europa geen goed gedaan.

“Voor ons was dat anders. Voor ons was het heel plezierig om dingen beschreven te zien waar je van wist, maar die je in al die andere boeken nooit tegenkwam. Bij Tolstoj hoor je nooit iets over hekserij of voorvaderen, en ik denk dat mensen die dingen ook opgeschreven wilden zien, zelfs met de uitleg die ze niet nodig hadden erbij.”

Je zou ook kunnen zeggen dat het niet zo'n goed boek was. Achebe heeft wel betere geschreven.

“Nee, zeker achteraf gezien was die eerste roman een enorme prestatie. Hij moest daar voor het eerst zeer verschillend taalgebruik in het Engels zien uit te beelden. De taal van de gewone mensen, het soort Engels dat ze spraken, het Engels van koloniale Britten. Hij loste dat op door voor het traditionele Afrikaanse spraakgebruik, dat vaak iets ceremonieels heeft, een soort archaïsch Engels uit de bijbel te gebruiken. Natuurlijk, dat ligt nogal voor de hand, zei iedereen achteraf. Maar iemand moest toch op het idee komen.

“Anderen hebben weer andere methodes gevonden. Bij Soyinka, de Nobelprijswinnaar, herken je in zijn toneelstukken vaak de bijzondere manier waarop Edwardiaanse geleerden in Engeland de Griekse klassieken plachten te vertalen: een bepaalde dictie, die een zekere sfeer geeft.

“Maar de bijbel vond bij ons toch de meeste weerklank. Het was voor mij het belangrijkste boek, tot ik naar de universiteit ging. Iedere zondag gingen we naar de zondagsschool, bij de kerk middenin Kumasi. De groten bleven binnen, en buiten onder de bomen lazen oudere kinderen ons de bijbelverhalen voor. Daar hield ik van.”

Hemingway

In In My Father's House schrijft Appiah over de Afrikaanse intellectuelen die in het voetspoor traden van de panafrikanisten. Appiah richt zich niet zo zeer tegen de Afrikaanse schrijvers zelf als wel tegen hun critici, en dan in het bijzonder de zogeheten nativisten. Afrikaanse literatuur mag niet universeel zijn, vinden de nativisten: universaliteit in literatuur is een verderfelijke imperialistische norm, waarmee het Westen opnieuw de Afrikaanse cultuur kleineert.

Deze kritiek, schrijft Appiah, is ten dele terecht, namelijk voor zover ze zich richt tegen sommige westerse critici voor wie "het in herinnering roepen van lokale gebruiken niet meer is dan etnografie, tenzij het om de gewoontes van een Noordengels mijnwerkersstadje gaat en de auteur D.H. Lawrence heet; of de verhalen van een historische gebeurtenis slechts journalistiek noemen, zolang de gebeurtenis niet de Spaanse burgeroorlog is en de auteur Hemingway.'

Maar de nativisten gaan verder. Tegenover een Europees etnocentrisme dat zich als universalisme voordoet, stellen zij een exclusief Afrikaanse eigenheid. In feite treden zij daarmee in het voetspoor van de oude Europese nationalistische traditie die - te beginnen bij de Duitse filosoof Herder - de literatuur beschouwde als de meest sublieme uiting van de morele kracht van eigen cultuur en later ook eigen ras. Daarom achtte men in de negentiende eeuw niet de studie van Shakespeare's Italiaanse voorbeelden onmisbaar voor een beter begrip van de Engelse literatuur, maar Beowulf, het eerst bekende Angelsaksische geschrift, een gedicht dat Shakespeare niet eens kende.

Deze traditie is in het Westen gestorven aan het verloren gegane prestige van rassen- en andere eigenwaan. Maar volgens Appiah is zij inmiddels aan een nieuw leven begonnen in de Afro-Amerikaanse literatuurtheorie en het Afrikaanse nativisme. Het is voor deze critici niet genoeg om aan te vechten dat het Westen de exclusieve erfgenaam van de oude Egyptische cultuur is; ze eisen die erfenis voor Afrika op, en postuleren een rechte lijn van die cultuur naar hedendaagse Afrikaanse kunstuitingen.

School

Appiah gelooft niet in het bestaan van dergelijke Afrikaanse superculturen, maar wel in een speciale rol van Afrikaanse schrijvers, een rol die voortkomt uit bijzondere omstandigheden. “Afrikaanse schrijvers zijn vaak politiek zeer geëngageerd, en dat komt ten dele omdat ze uit een zeer kleine klasse komen. De andere leden van die klasse, de mensen met wie ze op school zaten, zijn degenen die het land runnen. De schrijvers bewegen zich dus in dezelfde kringen als de machthebbers, ze weten van nabij hoe het is om een staat of een bedrijf te besturen. Dat kun je van Amerikaanse schrijvers niet zeggen; die hebben dan ook andere onderwerpen.”

Intellectuelen in Afrika zijn zich ook beter bewust van andermans tradities. “Ze zullen wel moeten”, zegt Appiah. Terwijl het Afrikaanse gewone volk, waar de nativisten zo op vertrouwen, al probleemloos westerse muziektradities en eetgewoontes leent, zijn de intellectuelen al helemaal verbonden met de Europese cultuur. Dat mag problemen geven voor het nodige zelfvertrouwen, het levert ook levendige discussies en ongebreidelde nieuwsgierigheid op. Zo zijn de talloze Ghanese kranten - die voor het overgrote deel sinds de opheffing van de perscensuur een jaar geleden opgericht werden - gevuld met een prettige mengelmoes van politieke sensatielust, felle preken, ernstige wetenschapsvoorlichting en amusante speculaties.

De schrijver van het artikel "Mag iemand een eind aan zijn leven maken?' in The Pioneer van 14 januari jl., beantwoordt deze vraag met eerst te herinneren aan de mogelijke toorn van God, vervolgens waarschuwt hij voor het rusteloze voortbestaan van de zelfmoordenaar als geest; bovendien spoort zo'n daad slecht met het spiritueel archetype van de persoon in kwestie, terwijl ook astrologisch gezien bedenkingen zijn aan te voeren. De gemiddelde Afrikaanse intellectueel lijkt behept met een rotsvast geloof in God, geesten en Shakespeare. En is zeer benieuwd naar veel andere dingen.

Publieke rol

Westerse schrijvers, schrijft Appiah In My Father's House, streven naar onafhankelijkheid in hun samenleving. Ze zijn - althans in het modernisme - op zoek naar een authentiek "zelf'. De Afrikaanse schrijvers zoeken daarentegen een publieke rol: zij zijn buitenstaanders die hun culturen in zo'n richting willen dwingen dat zij er een rol aan overhouden. Afrikaanse schrijvers willen geen "ik', maar een "wij'. En zo, schrijft Appiah, streeft Soyinka in zijn essays het laatste na, terwijl in zijn toneelstukken zijn "ik' toch doorbreekt.

Aldus komt volgens Appiah de Afrikaanse literatuur met pijn en moeite tot wasdom. Voor enkele schrijvers is het al zover. Zij hebben nationalisme en nativisme achter zich gelaten, en puttend uit hun specifiek Afrikaanse ervaringen komen zij tot een literatuur waarvan Appiah meent dat het Westen er nog wat van kan opsteken. Een van zijn voorbeelden is de francofone schrijver Yambo Ouologuem met zijn roman Le devoir de violence. Hoofdpersoon is Saïf, een zwarte moslim, die Afrikaanse mythen verzint die door de westerse antropoloog Shrobenius ijverig worden genoteerd en van een diepe metafysische waarde worden voorzien. Ouologuem schrijft ironiserend over Saïfs stamboom die op een dertiende-eeuws Afrikaans koninkrijk terugvoerd kan worden, en met Saïf zelf loopt het in het onafhankelijke Afrika slecht af. Ouologuem neemt zo afstand van zowel het kolonialisme, de voorvadercultus en de moderne natiestaat. Saïf is de verpersoonlijking van de gewone Afrikanen die van deze verschijnselen het slachtoffer zijn geworden. In deze en enkele andere romans wordt, schrijft Appiah, nationalistische en nativistische literatuur "uitgedaagd uit naam van de slachtoffers van de meer dan dertig Afrikaanse republieken, uit naam van een ethisch universeel idee, uit naam van humanisme. (-) En daar kan het westerse postmodernisme iets van leren.'

Wat valt er te leren?

“Bij westerse intellectuelen overheerst de houding dat alles betrekkelijk is. Het idee van hier vermoorden ze kinderen, daar sluiten ze hun schoonmoeder op - ach, zo zijn de mensen. Afrikaanse schrijvers kunnen zich zo'n houding niet permitteren. Zij krijgen op een heel urgente manier met ethische kwesties te maken. Zij zien iets dat verkeerd is, en niet verkeerd op een Afrikaanse of on-Afrikaanse manier, maar verkeerd in absolute menselijke termen.”

Afrikaanse schrijvers dragen de heersende normen dus sterker uit dan westerse schrijvers.

“Vaak wel, en ik denk dat daarom mijn Amerikaanse studenten die boeken graag lezen. Ze treffen daarin zaken van groot belang aan, en die vinden ze in andere literatuur niet altijd terug.”

De Afrikaanse literatuur wordt toonaangevend?

“Ben Okri heeft de Booker Prize in Engeland gewonnen.”

Tja, hoe zou dat komen?

“Goed, dat komt deels vanwege het "exoticisme', de fascinatie voor de zogenaamde Andere, waar sommige Afrikanen op inspelen. Maar ik denk toch ook dat voor Engelsen Okri leest als Tolstoj of iets dergelijks. Okri schildert een breed moreel panorama en voldoet ook aan de moderne literaire smaak - zijn stijl is moeilijk en sophisticated. Dat is waarom de magisch realisten ook zo populair zijn in het Westen: het is prachtig geschreven, maar tegelijk verbonden met de politieke crises van Latijns Amerika.”

Intussen durft u het racistisch geïnspireerde panafrikanisme in uw boek uiteindelijk niet echt af te zweren.

“Ik zie het panafrikanisme als een soort antiracistische solidariteit tussen Afrikanen en anderen van Afrikaanse herkomst, die er op gericht is om hen het idee te geven dat ondanks de racistische verhalen over Afrika, zij wel degelijk een belangwekkende geschiedenis hebben, dat zij belangrijke dingen tot stand hebben gebracht, hier en in de Nieuwe Wereld.”

De vernedering is nog steeds onoverkomelijk?

“Ja, en die vernedering was gericht op een ras, en is daarom een probleem voor iedereen van Afrikaanse herkomst, in ieder geval voor de intellectuelen. De meeste mensen hier in dit land voelen zich niet vernederd, omdat niemand ze dat ooit verteld heeft. Prima. Maar intellectuelen kunnen er moeilijk aan ontsnappen.

“In een boek van de Ghanese filosoof Wiredu staat een heel interessante voetnoot. Hij is een groot bewonderaar van Kant en Hume, en in die voetnoot beschrijft hij zijn gevoelens bij het lezen van de passages waar deze filosofen verschrikkelijke dingen over Afrika zeggen. Pure racistische onzin. En Wiredu reageert daar heel kalm op, hij zegt je moet dit terzijde leggen, je moet tenslotte die dingen in hun tijd zien, etc. Maar dat is moeilijk, dat kost veel redeneren. Het is hard werken.”