De saxofonist moet kreunen; Klas Torstensson over het uitdagen van musici en luisteraars

Klas Torstensson componeert elektronische muziek en muziek voor gewone instrumenten. Voor zijn Urban Songs, dat volgende week in première gaat in Parijs, laat hij sopraan Charlotte Riedijk haar eigen stem bespelen. Onder de toetsen van een keyboard dat zij bespeelt, zitten geen gewone tonen, maar vervormde geluiden van de zangeres. “Zo ontstaat een duet tussen een echte sopraan en een armoedige computersopraan.”

Oktober 1992. Het wijde uitzicht over de gracht voor het huis van componist Klas Torstensson in Amsterdam wordt gedomineerd door een boom in herfsttinten. Op de robuuste werktafel midden in de kamer ligt het opengeslagen manuscript van Urban Songs, een compositie waarin "rurale' en stedelijke muzikale elementen (een Libanees volkslied aan de ene, computer en rap-invloeden aan de andere kant) tegenover elkaar worden geplaatst. Juist vandaag zette Torstensson zijn handtekening onder de partituur. Urban Songs werd geschreven in opdracht van het Parijse Ensemble InterContemporain en het Ircam, het onderzoekscentrum voor computermuziek waar tot voor kort Pierre Boulez de scepter zwaaide. De precisie van Torstenssons handschrift lijkt in tegenspraak met de ruwe klankwereld in veel van zijn muziek. De netheid van een partituur is volgens de componist echter van groot belang, omdat die zijn weerslag heeft op het oordeel van de musici en op de uitvoering.

Urban Songs is het eerste werk van een Nederlandse componist voor het gerenommeerde Parijse nieuwe-muziekgezelschap. Hoewel, Nederlands? Torstensson werd in 1951 geboren in het Zweedse Nässjö. Hij woont echter al sinds 1973 in Nederland. De studio voor elektronische muziek in Stockholm had een lange wachtlijst, zodat Torstensson besloot uit te wijken naar het Utrechtse Instituut voor Sonologie. Hij vond al gauw een plaats in het Nederlandse muziekleven. Zijn muziek beschouwt hij als veel "stadser' dan die van de meeste Scandinavische componisten. Torstenssons werk wordt uitgegeven door Donemus (Documentatiecentrum Nederlandse muziek), hij krijgt een meerjarige honorering van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst en won een Nederlandse compositieprijs, de Matthijs Vermeulen-prijs 1991, voor het orkestwerk Stick on Stick.

Torstensson legde de basis voor zijn manier van werken in de jaren zeventig bij wat toen nog de Stichting ASKO heette, waaraan hij als componist en dirigent verbonden was. Componeren leek daar te gebeuren in een soort workshop, in een voortdurende wisselwerking tussen musici en componist. Achteraf valt er wel wat af te dingen op de werkwijze. Torstensson: “Het was een tijd van veel praten en debatteren. Zozeer zelfs dat de aandacht voor de noten soms verdrongen leek te worden door "communicatieve processen'. Maar het was ook heel inspirerend. Bij het ASKO, De Volharding, Hoketus en Slagwerkgroep Den Haag werkt een ander soort musicus dan bij de reguliere orkesten. Zonder te willen generaliseren werd en wordt er in moderne ensembles minder gepraat over CAO's en sta-caravans en meer over muziek.”

Houthakken

Torstensson schrijft geen compositie zonder dat hij weet door wie die zal worden uitgevoerd. Torstensson: “Materiaal leveren voor muzikanten is de belangrijkste functie van een componist. Als je weet wie een stuk gaat spelen, kun je gebruik maken van de specifieke kwaliteiten van de musicus, zodat de noten passen bij de speler. Een zachtaardig iemand laat je niet houthakken, dan gebeuren er alleen maar ongelukken. Maar je hoeft het de musicus ook weer niet te gemakkelijk te maken. Volgens het romantische ideaal van het musiceren mag het zweet van de musicus niet zichtbaar en niet "hoorbaar' zijn. De componist noteert zijn spontane muzikale invallen, de muzikant voert ze met evenveel gemak uit en de luisteraar mag daar onderuitgezakt in zijn stoel van genieten. Die werkwijze is mij vreemd.

“Mijn muziek vraagt om een actieve luisterhouding. Ik hou niet zo van composities die zichzelf meteen prijsgeven. Een luisteraar moet worden uitgedaagd. Hij moet in een stuk verschillende niveaus kunnen ontdekken, op en neer pendelen tussen continuïteit en details. Hij wordt uitgenodigd al luisterend steeds weer van positie te veranderen.”

Veel muziek van Torstensson heeft daardoor een directe fysieke kracht. De componist heeft een voorkeur voor een stevige, ondubbelzinnige toonvorming en een impulsieve, bijna lijfelijke benadering van muziekinstrumenten, die van de musici zwaar werk vraagt. Het produktieproces van de muziek staat voor hem niet los van de wijze waarop het geluid wordt voortgebracht. In Järn, Zweeds voor ijzer, zorgen harde, korte, signaalachtige tonen voor een onromantisch nuchtere klank. Het ritme is op het eerste gehoor onregelmatig en de dynamische wisselingen zijn onvoorspelbaar, wat de muziek een grote spanning geeft. In het eerste deel van de muzikale trilogie Licks & Brains klinkt de bas-saxofoon op een ongebruikelijke manier. Droge slaggeluiden van het riet, virtuoze dubbeltonen en gespierde puls-achtige klanken wisselen elkaar af. De saxofonist moet op voorgeschreven plaatsen kreunen, wat het gevoel van inspanning versterkt.

Wilde grepen

Torstensson: “Ik heb de neiging om vanzelfsprekende zaken als problemen te zien. Misschien heeft dat met mijn Lutherse opvoeding te maken. De pogingen om greep te krijgen op de probleemstelling worden als het ware omgezet in muziek. Toen ik aan Koorde begon, voor twee piano's, had ik natuurlijk een normaal stuk kunnen schrijven met interessante thema's, verrassende motieven en mooie melodieën. In plaats daarvan heb ik geprobeerd een sleutel te vinden om die achtentachtig toetsen in mijn macht te krijgen. Door me af te vragen hoe een muzikant zich over de toetsen kan bewegen, kwam ik tot verschillende strategieën om de piano te benaderen. Een pianist kan akkoorden opstapelen, waardoor steeds grotere gebieden van de totale toonomvang binnen handbereik komen, hij kan in toonladders stap voor stap voortgaan, of juist wilde grepen uitvoeren.”

Deze strategieën en de klank die daarvan het resultaat is, zijn voor Torstensson belangrijker dan bij voorbeeld de toonhoogte. Hij begint aan een compositie alsof er niets vooraf gegeven is, geen toonsysteem en geen traditie. Torstensson: “Een c is nooit zomaar een c. De werking van een toon hangt af van het instrument waarop die toon wordt gespeeld, van het register en van de context. Daarom vul ik in de eerste versie van een partituur de toonhoogte meestal slechts globaal in. Toonhoogte is voor mij het resultaat van een fysieke actie.”

Computer

Hoewel Torstensson in '73 voor de elektronische muziek naar Nederland kwam, schreef hij veel composities voor gewone instrumenten. Torstensson: “Aanvankelijk was de computer voor mij een middel om me te bevrijden van het jeugdige, romantische beeld van het componeren, dat uitgaat van de onbewuste muzikale inval, waaraan van maat tot maat wordt doorgewerkt. Een computer dwingt je om precies te weten wat je wilt, is streng en accepteert alleen heldere commando's. Uiteindelijk is een computer echter voor een componist niets anders dan een handige machine die hem in staat stelt heel snel gecompliceerde berekeningen te maken en geluiden na te bootsen.

“Voor Urban Songs heb ik de stem van sopraan Charlotte Riedijk, die ook de première zal zingen, opgenomen en elektronisch bewerkt. Onder de toetsen van het keyboard zitten geen gewone tonen, maar vervormde geluiden van de zangeres. Zij is zelf de toetsenist en bespeelt dus als het ware zichzelf. Er ontstaat een duet tussen een echte sopraan en een armoedige computersopraan.”

Komende donderdag gaat Urban Songs in première in het Centre Pompidou. De componist is benieuwd hoe ze in Parijs op zijn muziek zullen reageren: “Ze zijn gewend aan het elegante Boulez-idioom. Het Ircam heeft een groot aantal studio's met eigen computers die onderling verbonden zijn. Daardoor kan men in de ene studio horen wat iemand in de andere doet. In de tijd dat ik er werkte was er een keer een componist die na een paar weken één fluisterzacht pizzicato voor een altviool met de computer had nagebootst. Intussen was ik bezig met mijn ruige klanken.”