De roes van de razernij

Onze voormalige minister-president H. Colijn begon in 1894 zijn militaire loopbaan in Nederlands-Indië. Colijn was godvrezend. Hij stond op de nominatie om adjudant te worden van generaal Van Heutsz, maar die zag aanvankelijk weinig in zijn kandidatuur. “Van Colijn weet ik alleen dat hij bidt, maar niet dat hij ook kan vechten”, oordeelde hij. Maar zijn staf wist hem er van te overtuigen dat Colijn er juist op wonderlijke wijze in slaagde het werken met het bidden te verenigen.

Naast het bidden en vechten verrichtte Colijn ook nog zendingsarbeid, zowel onder de inheemse bevolking als onder zijn manschappen. De toenmalige zending worstelde met het probleem of men bestaande posities moest versterken of voorrang moest verlenen aan de kerstening van nog geheel heidense gebieden, waar het animisme heerste. Colijn bepleitte het laatste, voornamelijk omdat hij vreesde dat zonder bemoeienis van de zending die gebieden binnen de kortste tijd mohammedaansch zouden worden. “De Islam stelt geen eischen van bekeering aan het menschelijk hart” en is dus in een veel gunstiger uitgangspositie, schreef hij in 1914. Uit zijn rapporten blijkt steeds dat Colijn een scherp oog heeft voor de psychologische realiteit van geloof en gemakzucht. Maar het is moeilijk om van die combinatie bij de zendingsarbeid niet te profiteren. Neem het volgende. “Op een zijner posten verspreidde hij onder zijn manschappen de blijde boodschap. En dan kregen ze daarbij meermalen een stukje kaas van hem”, schrijft zijn biograaf Rullmann. Dit is voor mij een wonderlijke passage, in de eerste plaats omdat ik mij afvraag hoe men in zo'n buitengewest zo makkelijk aan kaas komt en vooral hoe men die bewaart. Maar ook omdat hier van een psychologische wet geprofiteerd wordt die zegt dat gedrag gevormd wordt door zijn gevolgen. Men volhardt in het gedrag waarvoor men oorspronkelijk beloond werd. Deze wet van Skinner heeft Colijn goed begrepen, lang voordat die wet werd geformuleerd. Uit die wet vloeit voort dat ook geloven een kwestie is van belonen, of eigenlijk beloond worden.

Het opmerkelijke feit doet zich voor, dat Colijn net als veel hedendaagse psychologen ook een weerzin had tegen die wet. Het lijkt alsof die wet de oprechtheid van de menselijke keuze onverklaard laat of irrelevant acht. Rullmann vermeldt dat Colijn bij het vermoeden dat sommige manschappen alleen op de kaas afkwamen hen wel de blijde boodschap gaf maar geen kaas. Die manschappen werden dus bestraft. Die manschappen zijn geheel in overeenstemming met een variant van diezelfde wet, voor het christelijk geloof verloren gegaan. Gedrag waarvoor men wordt gestraft, zal worden vermeden. Dat was dus niet zo verstandig van Colijn. Hem werd in 1930 door de Vrije Universiteit een eredoctoraat verleend in de rechten. Niet in de godsdienstpsychologie en dat is voor iemand die de law of effect inconsequent toepast ook terecht. Piet Vroon kon zich toen nog onbekommerd verheugen in het bezit van zijn eigen doctoraat. Hein Colijn is geen Albert Heijn.

Nu zou men geneigd kunnen zijn te denken dat het geloof inderdaad niets met het verstrekken van kaas uitstaande heeft, want veel godsdiensten zijn populair terwijl ze in plaats van allerlei materiële beloningen uitsluitend ontberingen in het vooruitzicht stellen. Maar dat is waarschijnlijk toch naïef. Men mag aannemen dat er een krachtige beloning moet zijn daar waar men in gedrag volhardt, zeker als dat naar alle maatstaven van redelijkheid enigszins irrationeel is. En daar waar massaal geloofsafval plaatsvindt, moet of sprake zijn van een grotere beloning die op ongeloof staat of sprake van straf die het geloof biedt. Het is de moeite waard deze hypothese in overweging te nemen, want als zij waar blijkt, wordt veel op zeer eenvoudige wijze verklaard.

De aantrekkelijkheid van het fundamentalisme ligt niet in de intellectuele charme van zijn leerstelligheid. Onlangs is over de seksuele geaardheid van koning David grote ruzie ontstaan in het Israelische parlement. Yael Dayan opperde de mogelijkheid dat koning David homoseksueel was en als David het al was, waarom zouden hedendaagse militairen het dan niet mogen zijn. Dat schoot de religieuze regeringspartij in het verkeerde keelgat. De aantrekkelijkheid van het fundamentalisme zit in de legitimatie van een woedeuitbarsting, de verrukking van het ongelimiteerd beledigd kunnen zijn, het terzijde schuiven van alle slappe redelijkheid. Agressie als onvervreemdbaar recht is in psychologische zin een enorme beloning. In Pakistan zal een man worden opgehangen omdat hij beweerde Jezus Christus te zijn, levend in een even onschuldige waan als al diegenen die hier beweren dat zij Hein Donner zijn. Deze Christus was eerder door fundamentalistische demonstranten in elkaar geslagen omdat hij beweerde dat de Duivelsverzen van Rushdie op waarheid berustte. Voor die opmerking zal hij eerst nog drie jaar in de gevangenis moeten zitten voor hij wordt omgebracht. De aantrekkelijkheid van de godsdienst zit waarschijnlijk niet in de godsdienst maar in primitievere gevoelens die er door bevredigd worden en die zelf niets met de godsdienstige ideeën uitstaande hebben. Daarom ziet het er ook zo somber voor Rushdie uit. Het fundamentalisme zal nooit de oproep tot moord intrekken. Daarmee zou het immers niet Rushdie zozeer iets gunnen, maar zijn eigen aanhangers iets ontnemen, de roes van de onbeperkte razernij.

De gereformeerde kerk maakt zich zorgen over de geloofsafval onder jongeren. Als zij de kerk al niet volledig de rug toekeren, geloven zij alleen nog maar op zondag in de besloten kring van het kerkgebouw. Vooral dat laatste is interessant. Ik denk dat een gelovige in het dagelijks leven voor zijn geloof gestraft wordt, niet schrikbarend maar wel effectief. De keerzijde van het fundamentalisme is tolerantie. Psychologisch gezien is het redelijk prettig om tolerant te zijn maar het is veel minder prettig om getolereerd te worden. In Nederland is de gewoonte ontstaan de gelovigen te ontzien. Politiek gezien is dat een groot goed. Maar de gelovigen - ook de gereformeerde jongeren - zijn daarmee in de openbare positie gekomen, dat men hen ontziet en dat is geen pretje. Zo wordt men voor zijn geloof gestraft. De ongelovigen zijn bereid het geloof in godsnaam dan maar te respecteren. Dat is een lichte maar permanente bestraffing die geloofsafval onvermijdelijk maakt.