De rivier

Wij wonen een eind buiten de stad; het lijkt hier net een dorp en toch is het maar een half uur lopen naar het centrum. Een bus komt hier niet.

Als ik in mijn bed lig hoor ik de rivier. Er zijn twee rivieren in Granada, de Genil en de Dauro. Ze komen uit verschillende gebergten en vloeien in de stad samen tot één rivier. Onze rivier is de Dauro, maar wij noemen hem Darro.

Het water komt zelden hoger dan je enkels. Het is helder en heel koud, ook in de zomer. De bodem ligt vol keien. Er zijn maar een paar plekken waar je bij de rivier kunt komen.

Bijna overal rijzen aan weerskanten rotswanden steil omhoog. Het is daar schemerdonker; soms vormen in de hoogte bomen een poort.

Eens kwam hier een meisje uit Nederland die zei: “Ik lach me rot om die Spanjaarden. Moet je zien wat ze hier een rivier noemen! Zoiets zou bij ons een beekje heten.” Ze dacht waarschijnlijk dat een rivier er als de Waal of de Maas hoort uit te zien, en dat je er met een boot op moet kunnen varen. Maar ze had ook nog niet meegemaakt hoe het hier kan regenen. Want als het regent kan de rivier een monster worden. Plotseling stijgt het water vele meters, het krijgt een grijsbruine kleur en stroomt kolkend in razende vaart naar beneden. Dan kabbelt de rivier niet langer lieflijk, maar brult. Alles wat hij te pakken krijgt neemt hij mee. Struiken, boomstronken, soms zelfs een varken of een geit.

Je kunt ook nooit op hem vertrouwen. Want als het bij ons niet regent maar wel ginds in de bergen, waar hij vandaan komt, dan verandert de Darro plotseling in een woeste draak.

Eens was er een jongen in de rivier aan het spelen. De zon scheen. Boven de bergen in de verte was de lucht donker, maar dat zag hij niet. En opeens kwam het bruine monster eraan, de draak, tilde hem op en sleurde hem mee. Nog net op tijd kon hij zich aan een dik stuk hout vastgrijpen. De jongen probeerde naar de kant te komen, maar de stroom was te sterk.

In de stad verdwijnt de Darro onder een gemetselde boog. Hij loopt daar een heel eind onder de straten door. Het water was al zo hoog gestegen, dat er nog maar een klein stukje van die boog was te zien.

De jongen had geluk. Het stuk hout bleef voor de opening steken en mensen trokken hem naar boven. Als hij nu een vreemdeling hoort zeggen dat die Darro van ons geen rivier is maar slechts een beekje, dan lacht hij even. Maar hij houdt zijn mond. Wat weten vreemdelingen er ook van?