De anti-architectuur van Coop Himmelblau; Gevaarlijk wonen

De gebouwen van het Weense architecten- bureau Coop Himmelblau zijn expres oncomfortabel. Want hun gebouwen moeten de hedendaagse werkelijkheid weerspiegelen. “Wat een opdrachtgever ook vraagt van dit bureau - een villa, een sculptuur of een wolkenkrabber - hij krijgt altijd een verkeersongeval.”

Tentoonstelling: Coop Himmelblau: construire le ciel. Centre Georges Pompidou, Parijs. T/m 12 april. Ma en wo t/m zo 10-19u. Catalogus (48 blz.) ƒ 51,60.

Woody Allen had het niet kunnen verzinnen: een huis in Los Angeles voor een Californische psycho-analyticus, ontworpen door het deconstructivistische architectenbureau Coop Himmelblau uit Wenen. Misschien is dit ontwerp ook een te grote opeenstapeling van clichés om waar te zijn; het huis, The Open House uit 1983, is in ieder geval nooit gebouwd. Het is nu wel in de vorm van vier maquettes aanwezig op de grote tentoonstelling Coop Himmelblau: construire le ciel in het Centre Pompidou in Parijs. Het huis is exemplarisch voor het streven van de Weense deconstructivisten naar een "open architectuur'. Scherpe geometrische vormen en lange palen vormen een halfopen constructie, waarbij het onduidelijk is waar het interieur begint en eindigt.

Het is geen toeval dat Coop Himmelblau door Wolf D. Prix (1942) en Helmut Swiczinsky (1945) werd opgericht in 1968, het jaar waarin sommigen dachten dat de wereldrevolutie nabij was. Zoals het hoort bij een architectenbureau dat is geboren op het hoogtepunt van de "tegencultuur', maakt Coop Himmelblau "anti-architectuur'. “Coop Himmelblau is geen kleur maar een idee, het maken van architectuur die net zo licht en wisselend is als een wolk,” heette het in 1968 in een van de poëtische ontboezemingen die de ontwerpen van het bureau vaak vergezellen. De vroege teksten doen denken aan de psychedelische liedjes van hippiegroepen: “Er zijn geen muren. Onze ruimten zijn trillende ballonnen. Onze polsslag wordt de ruimte en ons gezicht de façade van het gebouw.” Coop Himmelblau's eerste ontwerp, Villa Rosa, past bij deze hippie-poëzie: een lief, opblaasbaar insekt, opgebouwd uit grote bollen.

Maar Coop Himmelblau is met zijn tijd meegegaan. De teksten van het duo, dat in 1991 door de komst van de Duitser Frank Stepper (1955) werd omgevormd tot een trio, zijn grimmiger geworden. Ze citeren niet alleen uit liedjes van de Rolling Stones, Bob Dylan en Jimi Hendrix, maar ook van Guns N' Roses, een hedendaagse hardrockgroep die veel tijd en geld heeft gestoken in het verwerven van een slechte reputatie. En de maquettes van hun ontwerpen zijn veranderd in gevaarlijke insekten, vol puntige vormen en voorzien van lange angels. “We willen een architectuur die bloedt, die uitput, die kronkelt en, waarom niet, die breekt,” schreef het Weense duo in 1980. Ze verklaarden zich tot tegenstanders van het "Palladiaanse humanisme' en het "Corbusiaanse modernisme'. Hun architectuur noemen ze "een poëzie van de woestenij' en heeft niet de bedoeling beschutting en huiselijkheid te bieden, maar is "oncomfortabel, niet gedomesticeerd en wandelt door de stad als een panter door de jungle'.

Derrida

De gerealiseerde ontwerpen van Coop Himmelblau zijn op de vingers van twee handen te tellen, maar dat deert het trio niet echt. Als de braafste leerlingen van de deconstructivistische klas citeren ze in de catalogus van de tentoonstelling de Franse filosoof Jacques Derrida. “Zelfs als jullie iets verzinnen of uitvinden dat vandaag onmogelijk kan worden gebouwd (-), dan kan het feit dat jullie het geschreven of getekend hebben invloed hebben op hetgeen in de toekomst zal worden gebouwd,” zo sprak hij hen toe tijdens een audiëntie in 1992.

Ondanks deze geruststellende woorden van een van de aartsvaders van het deconstructivisme wil Coop Himmelblau zich niet beperken tot papieren architectuur. De Weners hebben in de loop der jaren tal van installaties gemaakt in musea en ook in de hal van het Centre Pompidou hebben ze een reusachtige sculptuur van stalen platen, kabels en balken van ijzer en hout mogen neerzetten. Daaronder bevindt zich de rest van de tentoonstelling, bestaande uit ingelijste tekeningen, meubel- en tapijtontwerpen, een diavoorstelling en 47 maquettes. De inrichting is door Coop Himmelblau zelf verzorgd. De maquettes staan op sokkels in slagorde opgesteld en zijn gegroepeerd naar onderwerpen als stedebouwkunde, verbouwingen, gerealiseerde ontwerpen en de zogenaamde Follies, waarvan de Video Clip Folly in Groningen heeft gestaan en Folly #4 nog steeds in Rotterdam is te zien (het dak van het Groninger Museum, waarvoor het bureau een paar maanden geleden de opdracht kreeg, is afwezig.)

De tekeningen aan de muur zijn bibberige krabbeltjes op afgescheurde vellen papier. Plattegronden, opstanden of andere stadia tussen kriebeltjes en maquettes ontbreken. Zo is de expositie een illustratie geworden van de beroemde werkwijze van Coop Himmelblau: elk ontwerp begint, zo wil het bureau doen geloven, met gedachteloos gekriebel, een soort surrealistische "écriture automatique', die vervolgens zo letterlijk mogelijk wordt vertaald in drie dimensies.

De zakelijke beschrijvingen die de maquettes en tekeningen vergezellen, geven geen uitsluitsel over de bedoelingen van Coop Himmelblau. Toch heeft het Weense bureau die wel, aldus het verhelderende tentoonstellingsfoldertje. Hoe gedachteloos de tekeningen ook tot stand komen, de uiteindelijke ontwerpen zijn niet zonder betekenis. Ze bevatten altijd een of meer van de volgende vijf "sleutelelementen': de vleugel, de boog, de balk, de "X' en de "operaties op de doos'. Een vleugelvorm bijvoorbeeld symboliseert de "vrije beweging die niet is onderworpen aan de logheid van de architectuur'. De "X' staat voor twee verschillende assen, "die de statische functie in een dynamisch principe veranderen'.

Verscheurde lichamen

De catalogustekst van de Britse architectuurhistoricus Anthony Vidler, die hiervoor een hoofdstuk uit zijn vorig jaar verschenen boek The Architectural Uncanny bewerkte, werpt een ander licht op het werk van Coop Himmelblau. Zoals gebouwen uit de Renaissance door de overeenkomstige maatverhoudingen kunnen worden beschouwd als een analogie van het menselijk lichaam, zo kunnen de gefragmenteerde bouwwerken van Coop Himmelblau worden gezien als verscheurde lichamen, betoogt Vidler. Hij haalt er de theorieën van Lacan, Barthes, Sartre en vooral Freud bij om aan te geven welke gevoelens dit zou moeten veroorzaken. Net als een uiteengereten lichaam moet de verscheurde architectuur van Coop Himmelblau het Freudiaanse "Unheimliche' oproepen, aldus Vidler. “Het lijdt geen twijfel dat de bezitter van een conventioneel lichaam, geconfronteerd met de architectuur van Coop Himmelblau, zich bedreigd voelt; de vervormingen en leegten werken diep in op het lichaam.” Deze "ontkenning' van het lichaam ziet Vidler als een kritiek op het modernisme en het geloof in de vooruitgang: de architectuur van Coop Himmelblau weerspiegelt de ontreddering van de hedendaagse wereld.

Ongewild geeft Vidler met zijn betoog de zwakke plek van Coop Himmelblau aan: hun ontwerpen zijn te theoretisch. Het zijn illustraties van niet-architectonische ideeën en zien er daardoor altijd hetzelfde uit. Wat een opdrachtgever ook vraagt van het Weense architectenbureau - een villa, een sculptuur, een wolkenkrabber of een stedebouwkundig ontwerp - hij krijgt altijd een verkeersongeval, zoals de architectuur van Coop Himmelblau al eens is getypeerd. Bovendien valt het wel mee met het "unheimliche' karakter van de ontwerpen van het Weense bureau. Als ze als insektenmaquettes staan opgesteld in de spelonken van het Centre Pompidou en worden belicht alsof ze figureren in een griezelfilm, hebben ze nog wel iets akeligs. Maar de daadwerkelijk gebouwde ontwerpen, zoals het kantoor op het dak van een oud Weens gebouw uit 1989, zien er eerder uit als eigentijdse onderkomens van in New Age geïnteresseerde zakenlui dan als "oncomfortabele, brandende architectuur'. En wanneer Coop Himmelblau een fabriek moet ontwerpen, zoals de Fabrik Funder 3 in het Oostenrijkse St. Veit/Glan, vervalt hun deconstructivisme zelfs tot louter decoratie. Meer dan een orthodoxe doos die is beplakt met geinige zigzag-afdakjes en scheve glanzende palen is deze fabriek niet. De arbeiders zullen er niet de stuipen van krijgen.