Componist Straesser onnodig terughoudend in fascinerende muziek

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart, met Charlotte Margiono (sopraan). Programma: Straesser, Derde symfonie; Strauss, Vier letzte Lieder; Mahler, Vierde symfonie. Gehoord: 18/2, Vredenburg, Utrecht. Herhaling: 20/2, Concertgebouw, Amsterdam. Radio: 23/2 (14.00u), Radio 4

Hedendaags repertoire op één programma met Mahler en Strauss, een paar jaar geleden zou dat in de meeste gevallen nog tot gedurfde contrasten hebben geleid. Maar de Derde symfonie van Joep Straesser schurkte zich gisteravond in een concert door het Radio Filharmonisch Orkest in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg genoeglijk tegen de Vier letzte Lieder van Strauss en Mahlers Vierde.

Straessers huidige idioom is, net als dat van veel andere moderne componisten, milder van toon en daardoor toegankelijker dan vroeger. Hij gebruikt het orkest op een bijna ouderwetse manier. Een pregnant motief in de hoogste regionen van klarinet en fluit wordt in het begin van het eerste deel gemengd met de contrabas. In het vervolg is als het ware de muzikale ruimte die daar tussenin ligt, opgevuld met een aantal op zichzelf niet eens spectaculaire thema's die in wisselende gedaantes en combinaties terugkeren. Het is dit spel met een beperkte hoeveelheid muzikaal materiaal, belicht door telkens andere instrumentengroepen, dat Straessers symfonie fascinerend maakt. Wel zou je een sterkere dramatische ontwikkeling wensen. Het is alsof de componist nog iets te terughoudend is, te bescheiden om het onderste uit de kan te halen. Dat is niet nodig, Straesser is een groot vakman, met gevoel voor de potentie van een Mahleriaans orkest.

Het Radio Filharmonisch Orkest speelde alsof het Straessers werk al jaren op zijn repertoire had. Dirigent Edo de Waart accentueerde eerder de verschillen (met name in orkestrale kleur) dan de overeenkomsten met Strauss en Mahler. Zowel in de Vier letzte Lieder als in de Vierde symfonie werkte De Waart met zorg aan de menging van de instrumenten. Het geluid van hout- en koperblazers leek te vervloeien en werd als het ware gefilterd door de strijkers voordat het in de zaal doordrong. Met die subtiliteit sloot De Waart aan bij sopraan Charlotte Margiono die in de Vier letzte Lieder, en meer nog in Mahlers sopraanpartij, uitblonk in eenvoud en vocaal raffinement.

Bij Strauss blijft het moeilijk om de balans te vinden tussen het orkest en die ene stem, die regelmatig dreigt onder te dompelen in het instrumentale geweld. Helaas zijn onze oren wat dat betreft verwend door de cd, die een beter (dat wil zeggen vertekend) beeld geeft van de verhouding tussen stem en orkest. Oude opnamen hebben de uitvoeringsgeschiedenis van Strauss' liederen bovendien behoorlijk onder druk gezet. Het valt niet mee om daar nog iets aan toe te voegen. Het is Margiono's verdienste dat ze dat ook niet bewust probeert.

Ook over Mahler is het moeilijk nog iets nieuws te zeggen. De Waart en het Radio Filharmonisch moeten opboksen tegen orkesten die een hoorbaar langere traditie hebben in dit repertoire. Dat ze daarin desondanks redelijk slaagden, met name in de twee laatste delen, is al een groot compliment.