Casper van den Bergs laatste dichtbundel; Ontzag voor de Grote Hoofdscheidsrechter

Casper van den Berg: Onder ons. Uitg. De Bezige Bij, 72 blz. Prijs ƒ 30,-.

Vorige week maandag overleed op 47-jarige leeftijd in zijn woonplaats Rotterdam Casper van den Berg: nauwelijks bekend als performing poet, nog minder als dichter van drie bundels. De derde, Onder ons, verscheen kort voor zijn dood. Het begin van zijn dichtersloopbaan valt na te lezen in De Mensch Deelder (1986). Want Deelder en Van den Berg waren vrienden en klasgenoten op de Rotterdamse Willem de Zwijger HBS. Samen rookten ze hun eerste joints en jatten ze hun eerste jazz-EP'tjes. En samen schreven ze hun eerste gedichten die in 1962 met een open brief werden gestuurd naar Herman Besselaar die in het Algemeen Handelsblad een rubriek voor jonge dichters verzorgde. Zij waren voor een ”koele bries door maliënkolder van achterhaalde frasen'. Zij waren tegen de ”struisvogelige mentaliteit van initiatief nemen op platgetredenbasisje'. Tegen ”Sybren Poulet (voor zouteloze kippensoep)'. De arme Besselaar begreep er indertijd ”geen jota' van, maar dat weerhield de jonge dichters er uiteraard niet van om door te gaan met schrijven. De erkenning voor Deelder kwam snel, maar Van den Berg moest lang wachten. Pas in 1983 verscheen zijn eerste bundel, Nacht en mes. Tekenend voor de verhoudingen is dat zijn tweede bundel, Modieus ongerief, werd uitgegeven door Deelder B.V.

In Van den Bergs gedichten is wel iets bewaard gebleven van het elan, de inzet, het taaltje en de meligheid van de open brief waarmee het allemaal begon. Dat geldt trouwens voor meer dichters van de ”Rotterdamse School' en voor de meeste performing poets. Deelder, Van den Berg, Waskowsky, Vaandrager, Vinkenoog, Brood en Chabot schreven en schrijven poëzie met een hoog cabaret-gehalte. Sterke verhalen en goeie grappen. Een voorkeur voor de zelfkant van dope-, drugs- en drankgebruikers en voor de populaire cultuur van TV, reclame, strips en science-fiction. Een zekere fascinatie voor oorlog in het algemeen en het bombardement op Rotterdam in het bijzonder. Een ingewikkelde verhouding tot religie: neiging tot spotten, maar toch ook een zeker ontzag voor de macht van de Grote Hoofdscheidsrechter. Verder veel woordspelingen, veel fonetische spelling en een internationaal idioom met een zwaar Rotterdams accent.

Gevolg en vast ook wel bedoeling van dit alles: het traditionele beeld van poëzie als iets hooggestemds relativeren en haar terugbrengen tot een liefst vrolijk ogenblik in de alledaagse werkelijkheid. Van den Berg begint Onder ons met een gedicht dat wel opgevat mag worden als een beginselverklaring. Het materiaal van de dichter is alom bekend, zo zegt hij: Daarom, teêrgeacht cliënteel, zit / het hem uitsluitend in keuze en / rangschikking van ouwe, trouwe // koek. Zonder ongemerkt / te vervallen van haver / tot gort. En liefst kort.

Hoe relativerend ook, zo'n poëticaal begin verraadt een dichterlijk streven naar het goed gerangschikte, gedoseerde en afgeronde vers. Van den Bergs gedichten houden het zonder zijn voordracht, op papier, ook heel goed uit.

Hij moet veel van taal en idioom, dialect- en registerwisselingen gehouden hebben. Hij signaleert ”sumptueuze majorettes' en ”carnale discipline'. Een of andere manager houdt een ”morsdode cigaarstomp (...) in z'n murf geklemd' en op een biljarttoernooi dienen zich twee zoons aan ”die dan wel boksen / maar strikt op boterletterbasis'. Ook al weet hij ”dat het één in conjunctie met het ander / geen moer te betekenen heeft', hij slaagt er vaak in van zijn gedichten ”nummers' te maken: goedgetimede grappen of ultrakorte conferences. ”B.C.' is er zo een, over de drie Wijzen uit het Oosten. De ster die zij volgden was misschien wel de komeet van Halley die rond het jaar 4 voor Christus in Israël te zien moet zijn geweest. Aangekomen te Bethlehem horen we de drie magi dan ook vragen: ”Waar is de te vroeg geboren / Koning der Joden?'

Verscholen tussen alle gein en ongein bevindt zich zomaar één stemmig en haast klassiek gedicht, zonder ironie of absurditeiten, bijna religieus van strekking. Het beschrijft in korte slingerende regels het geloof in en het verlangen naar iets in hemzelf dat verloren is gegaan: ”dat wat in een fijn, nauwelijks leesbaar handschrift in onze gestalte staat gegraveerd.' Het is niet de buitenkant, het zijn niet de zichtbare littekens die ons iets vertellen over iemands wezen en over wat iemand geweest is. Het zijn de kleine onzichtbare lijnen, ”de smalle, verborgen paadjes' die daarnaar terugleiden en

die de plek weten

waar de oplossing

van de laatste

geheimen begraven

ligt.