Wetenschap als amusement

Het publiek denkt vaak dat de wetenschap "een dorre pret voor droge mensen' is. De werkelijkheid is anders. Het echte vorsen is meeslepend en verstrooiend tegelijk.

Dit is de tekst van de Duijkerlezing, zoals die op 15 februari door prof. Köbben werd uitgesproken

Precies veertig jaar geleden arriveerde ik als jonge volkenkundige - antropoloog zouden we nu zeggen - in het verre Ivoorkust aan de Westkant van Afrika. Na een lange zeereis, want de vliegmachine nam je toen nog niet zo gemakkelijk. Ik zou daar onderzoek gaan doen bij enkele van de talrijke tribale groepen die dat land rijk is.

Het was de vervulling van een lang gekoesterde wens. Nu realiseer ik mij scherp dat het, behalve weetgierigheid, ook vage romantische gevoelens waren die mij dreven. De hang naar een gans andere, exotische wereld, het verlangen kennis te maken met een kleine, besloten gemeenschap waar het één voor allen en allen voor één gold. Dacht ik.

Ik was uitzonderlijk slecht op mijn taak voorbereid. Zeker, ik had alles gelezen wat er te lezen viel over die volken, maar veel stelde dat, al met al, niet voor. Erger, wat ik te weten was gekomen was papieren kennis. Het klinkt nu ongelooflijk, maar ik had zelfs nog nooit gesproken met iemand die zulke mensen in levenden lijve had ontmoet. Ja toch, dr. Paul Juliën, schrijver van een toen populair leesboek dat Kampvuren langs de evenaar¹ heette, een man van onwrikbare beginselen. Hij had mij aangeraden een tropenhelm mee te nemen en nooit maar dan ook nooit me te laten tutoyeren door inboorlingen.

De werkelijkheid viel bitter tegen. Het was een oncomfortabel en ongezond bestaan, met geheimzinnige boskoortsen en buikloop. Maar dat deed me niets, eerder gaf het me een zekere voldoening: dat hoorde, in mijn naëve opvattingen, bij het leven van de rechtgeaarde veldwerker. Wat mij totaal verraste waren vlagen van heimwee en gevoelens van verlatenheid, die geregeld uit het niets kwamen opzetten. Ach, u moet weten, ik was pas getrouwd en verlangde naar mijn lief. Maar dat was het niet alleen. De mensen die je onderzocht, merkte ik al spoedig, ook al voel je je nog zo solidair met ze, spreken toch jouw taal niet, in geen betekenis van het woord, je blijft een buitenstaander. Dat mijzelf te bekennen viel mij niet licht en leidde tot de existentiële vraag: deug ik wel voor mijn beroep? ² Pas veel later heb ik begrepen dat veel veldwerkers geteisterd worden door zulke gevoelens. Dat gold zelfs voor iemand als Margaret Mead, aan wie toch, zou je denken, niets menselijks eigen was. ³

Op een dag trok ik te voet met een informant naar het dorp waar zijn moeder vandaan kwam. Daar, gezeten onder de dorpsboom, zagen we een kind, een klein meisje dat aan het spelen was. Hij riep het bij zich, nam het op zijn knie en zei met een voilà-gebaar: ""Dit is mijn moeder.''

Daarmee begon voor mij een kleine speuractie: wat stak daar achter? Het bleek dat hij (de ego in het diagram op pagina 2) zijn moeder en al haar vrouwelijke verwanten tot één categorie rekende, reden waarom hij ze ook met één term benoemde, "moeder'. Trouwens ook voor alle mannelijke verwanten van zijn moeder bezigde hij één term, die ik hier zal vertalen als "mannelijke moeder'. Al die "moeders' (vrouwelijke en mannelijke) zijn gehouden hem ook als een moeder te bejegenen, dus met warmte en genegenheid, en zo nodig voor hem op te komen. Raakt hij in conflict met zijn eigenlijke verwanten (die aan vaderszijde) in dorp A, dan kan hij altijd nog uitwijken naar dorp B, waar hij liefderijk zal worden opgenomen. Sterft hij dan komt een delegatie "moeders' uit B naar de begrafenis die de dorpelingen van A scherp ondervragen: ""Hebben jullie wel goed voor hem gezorgd? Is het jullie schuld niet dat hij doodgegaan is?'' Die van A excuseren zich nederig en betalen een geldboete. Natuurlijk is dit ceremonieel gedrag, "spel' als u wilt, maar het tekent de verhoudingen.

Stel nu, zo'n man is bij zijn overlijden heel oud, zegge 70 jaar. Zijn echte moeder is dan natuurlijk allang dood, zo ook haar generatiegenoten. Geen nood, dan nemen die van de volgende generatie hun plaats in (de nrs 8, 9 en 10 van het diagram) en als die er ook niet meer mochten zijn de derde generatie (de nrs 11, 12 en 13). Dat zijn immers evenzeer "moeders'.

De dorpen waar het hier om gaat zijn klein, tellen meestal niet méér dan zo'n 200 à 300 zielen. Maar hoe klein ook, het zijn soevereine staatjes - of althans dat waren ze vóór de vestiging van het Franse gezag aldaar omstreeks 1910. Zij beoorloogden elkaar, zoals overal ter wereld souvereine staten plegen te doen. Alleen, als er hier één slachtoffer gevallen was, kwam men tot een vergelijk. In onze beschaafde, zoveel rationeler maatschappij gaat men door slag te leveren tot een der partijen beslissend verslagen is. Hier was een krachtige ingebouwde rem, die nu juist bestond uit de huwelijksbanden tussen dorpen. Stel, dorp A en dorp B voeren oorlog tegen elkaar. Dan geldt de regel dat ego en zijn vader (de nr. 1) niet aan de strijd mogen deelnemen. Je vecht niet tegen je schoonfamilie en al helemaal niet tegen je "moeders'! Integendeel, het is hun taak te bemiddelen tussen de strijdende partijen. Wel moet ik erbij zeggen dat niet iedereen zich als een automaat aan dat soort regels onderwierp. Ik schreef daarover in mijn etnografische verslag het volgende:

""Soms ontstonden er situaties als in een homerisch epos. Dorp A was in oorlog met dorp B en werd keer op keer verslagen. Geen wonder, want zijn aanvoerder en dapperste krijger, Dalo, was gehuwd met een vrouw uit dorp B en kon dus niet mee ten strijde trekken. Hij vrat zich op van spijt dat hij werkeloos moest toezien, en op zekere dag kon hij zich niet langer bedwingen. Hij zei tot zijn vrouw dat hij ging jagen, maar trok met zijn oorlogslans regelrecht naar het dorp van zijn schoonvader. Heel alleen sloop hij het dorp in, overviel zijn schoonvader en doodde hem.

Het bericht van zijn daad bemoedigde dorp A en deed de krijgskans keren. Maar Dalo zelf leefde niet lang meer. Zijn vrouw wist wat haar plicht was en deed vergif in de eerste de beste maaltijd die zij hem voorzette. Mogelijk heeft Dalo wel begrepen dat hij vergiftigd zou worden, maar dat als onontkoombaar gevolg van zijn handelwijze geaccepteerd.

Die van dorp A namen het de vrouw niet kwalijk; was het niet haar plicht zo te doen? Nadat zij in haar dorp het dodenfeest voor haar vader had bijgewoond, keerde zij terug naar A en huwde daar met Dalo's broeder.'' 4

Waarom vertel ik u deze geschiedenis uit de oude doos? Ik hoop ermee iets over te brengen van de immense voldoening - bijna zou ik zeggen het geluksgevoel - dat bezit van mij nam toen ik beetje bij beetje systeem en betekenis ging zien in wat aanvankelijk losse en bizarre feiten leken. Wat begon als een kwestie van terminologie leidde tot inzicht in hoe die samenleving in elkaar stak. Betrekken we er ook de vraag nog bij hoe zo'n stelsel kon ontstaan, dan zitten we middenin de meest fundamentele vragen die onze wetenschap zich stellen kan. Kortom, ik bedacht dat ik ondanks alles misschien toch niet gehéél ongeschikt was voor dat wonderlijke beroep van mij.

Het verhaal heeft nog een coda. Eenmaal thuis wilde ik niets liever dan zo gauw en zo goed mogelijk over het zoëven besprokene rapporteren. Immers, ik had iets nieuws aan de wereld te melden. Meende ik. Groot was mijn teleurstelling toen bleek dat een dergelijk verwantschapssysteem al beschreven was voor andere samenlevingen. 5 Er bestond zelfs een term voor! Gewoon een kwestie van onvoldoende literatuurkennis.

In de periode van contestatie, die zo'n twintig jaar geleden de Universiteit teisterde, werd geroepen dat onderzoek "maatschappelijk relevant' moest zijn en dienen tot direct heil der mensheid. En ja hoor, onderzoekers gingen tegen de klippen op beweren dat hun projecten wel wis en waarachtig aan die voorwaarden voldeden. Maar niet iedereen huilde mee met de wolven in het bos. Ik herinner mij een jonge historicus wiens werkterrein de klassieke oudheid was. Die zei: ""Wat wij doen maatschappelijk relevant? Onzin natuurlijk! Als ik een studie schrijf over de slag bij Zama (202 v. Chr.) is dat een vorm van amusement, meer niet.''

Die uitspraak was provocerend bedoeld, maar ik kan er wel mee leven. "Amusement', het klinkt frivool, maar waarom niet? Zoals een kwartet van Mozart amusement kan zijn. En waarom zou ik deze gelegenheid niet aangrijpen om een verhandeling te houden over nu juist dit onderwerp: "Wetenschap als Amusement'? Waarbij ik ten eerste nader inga op wat ik hier precies onder "amusement' versta, vervolgens laat zien - al is het maar aan de hand van voorbeelden - wat de factor amusement in de loop der tijden voor de wetenschap betekend heeft. En waarin ik tenslotte een beschaafd doch krachtig pleidooi voer voor de erkenning niet alleen, maar ook de handhaving en versterking van die factor bij de wetenschapsbeoefening.

Het gaat er daarbij volstrekt niet om stelling te nemen tegen onderzoek met een praktisch doel. Schiller heeft eens gezegd, sprekend over de wetenschap: ""Einem ist sie die hohe, die himmlische Göttin, dem andern eine tüchtige Kuh, die ihn mit Butter versorgt.'' 6 Maar zou de wetenschap niet zowel een "himmlische Göttin' als een "tüchtige Kuh' kunnen zijn? In minder dichterlijke bewoordingen: waarom zou onderzoek dat een eminent praktisch doel heeft, niet tegelijk de onderzoeker een ruime mate van amusement kunnen opleveren? Op dit onderwerp kom ik nog terug.

Wel vind ik dat er ook royaal ruimte moet zijn voor onderzoek dat geen direkt praktisch nut heeft, en niet alleen bij de astronomie. Dat standpunt mag niet bij voorbaat rekenen op veel sympathie en instemming binnen het verzakelijkte bedrijf dat de wetenschap tegenwoordig is. "Een l'art pour l'art-bezigheid', zegt men al gauw, 7 en dat is dan niet bedoeld als compliment. Maar is dat zo? Ik bedoel: onderzoek dat doel in zichzelf is en generlei instrumenteel karakter draagt, is dat onherroepelijk een vorm van l'art-pour-l'art? We zullen zien.

Eén dergenen die zijn wetenschappelijke activiteit graag in verband bracht met het begrip amusement was Charles Darwin. Als 23-jarige schrijft hij in zijn dagboek aan boord van de Beagle: ""De Natuurlijke Historie zal mij bezigheid en amusement verschaffen voor de rest van mijn leven.'' In 1846, hij is dan 37 jaar oud, noteert hij: ""Dit karwei (het ordenen van al het materiaal verzameld tijdens zijn reis om de wereld) heeft mij negen jaar lang het grootst mogelijke amusement bezorgd.'' En aan het slot van zijn lange leven: ""mijn enige (!) genoegen in het bestaan is mijn wetenschappelijke arbeid geweest.'' 8

Toch ging die arbeid hem niet gemakkelijk af. Hij worstelde met de bergen materiaal die hij over ieder onderwerp verzameld had, hij schreef moeizaam, ploeterde en zwoegde op zijn teksten, zozeer dat zijn gezondheid eronder leed. Kennelijk ging het om "amusement' van een heel bijzonder soort.

Aan praktische toepassingen dacht Darwin niet. Wel onderhield hij geregeld contact met mannen van de praktijk, zoals fokkers en telers, maar niet opdat zij van hem zouden leren, maar hij van hen. 9 Hij wilde de wereld verklaren, vooral niet haar veranderen. Als buitenstaanders zijns ondanks zijn leer gebruikten om de bestaande machtsverhoudingen aan te vechten - hetgeen telkens weer gebeurde - bezorgde hem dat maagkrampen en migraine. Toch schreef hij met The Origin of Species het boek dat het meest invloedrijke van de 19e eeuw genoemd is en dat in ieder geval een geestelijke omwenteling veroorzaakt heeft.

Om de schok die zijn werk teweeg bracht te kunnen navoelen moeten wij kennisnemen van wat tijdgenoten daarover schreven. Zo Thomas Huxley, de vurigste propagandist van wat al spoedig "het Darwinisme' ging heten.

""[Zijn theorie] was voor mij als de lichtflits voor een verdwaalde in de nacht, die hem het pad wijst dat hij gaan moet . . . Toen ik mij de centrale idee van het boek eenmaal eigen gemaakt had, was het zo iets natuurlijks voor me dat ik zelfs dacht: ""Wat ontzettend stom van me dat ik daar zelf niet opgekomen ben.'' ¹º

Het is weinigen gegeven werk van zo'n draagwijdte te produceren. Darwin was een reus en wij zijn niet allen reuzen. Daar komt nog iets bij. In Darwins tijd was het getal der geleerden gering, zij vormden nog nauwelijks een professie en van specialisatie was weinig sprake. De "natuurlijke historie' omvatte voor Darwin niet alleen de hele biologie, maar ook de geologie en zelfs wetenschappen als antropologie en sociologie. Hij las Comte, Spencer en Tylor, ¹¹ hij probeerde Das Kapital te lezen, maar Marx' Duits was hem te machtig. ¹² Wat meer zegt, in zijn werk kon hij over heel dat uitgestrekte gebied nog uitspraken doen die (toen nog) hout sneden.

Wat dit aangaat was hij een van de laatsten.

Als Max Weber bijna 40 jaar na Darwins dood zijn beroemde voordracht Wissenschaft als Beruf ¹³ houdt, zijn de omstandigheden al totaal anders. Weber pakt zijn gehoor, dat uit studenten bestond, op een eigenaardige manier aan: hij lijkt er voornamelijk op uit ze een wetenschappelijke carrière tegen te maken. Iemand die daarvoor kiest, zegt hij, moet zich jarenlang laten ringeloren door arrogante professoren, en dan nog is het "ein Hasard' of hij uiteindelijk een positie zal krijgen waarin zijn talenten tot hun recht komen. Bij de oplossing van de diepste levensvragen zal zijn werk hem niet kunnen helpen, want daarvoor is hij bij de wetenschap aan het verkeerde adres. Zo iemand moet zich goed realiseren dat wat hij met grote inspanning uitzoekt, binnen tien jaar of zo alweer verouderd kan zijn, want de wetenschap werkt nu eenmaal cumulatief. Maar bovenal, als hij werkelijk wat bereiken wil, dan zal hij zich moeten beperken tot een klein of zelfs minuscuul deel van de werkelijkheid: ""een wetenschappelijke prestatie die telt'', zegt hij, ""is tegenwoordig altijd een specialistische prestatie'', bovendien een die meestal enkel door vakgenoten op zijn waarde geschat kan worden. Wat Weber daar verder over schrijft lijkt mij nog altijd van voldoende belang om uitvoerig te citeren:

""En wie dus niet het vermogen bezit zichzelf als het ware oogkleppen op te doen en zich op te werken tot de gedachte dat zijn zieleheil afhangt van slechts een ding: of hij erin slaagt deze conjectuur op deze plaats in dit handschrift correct aan te brengen, die dient zich verre te houden van de wetenschap. Nooit zal hij dat doormaken wat men "de beleving' van de wetenschap noemt. Deze wonderlijke, door iedere buitenstaander ietwat bespottelijk gevonden roes, deze hartstocht, dit gevoel van: "Millennia moesten vergaan voor dat jij geboren werd, en andere millennia wachten zwijgend af of deze conjectuur van jou stand houdt.' Wie dat gevoel niet kent, mist de roeping tot de wetenschap en moet iets anders gaan doen.''

Wel wat Duits-plechtstatig gezegd, maar evengoed treffend!

Roes... hartstocht... roeping, daartegen steekt het "amusement' van Darwin wat gewoontjes af. Toch ligt wat hij bedoelt in dezelfde lijn. De drang om het onbegrepene te begrijpen. De animo om stoutmoedige hypotheses te ontwerpen, ook al moeten die vervolgens stuk voor stuk worden verworpen. De voldoening verbanden op het spoor te komen die niemand vermoed had, orde te zien waar chaos heerste of leek te heersen. De Aha-Erlebnis. Om dat alles gaat het. Ja zelfs om de worsteling met de stof wanneer de verworven inzichten op papier gezet moeten worden. Al wie wel eens in het holst van de nacht het bed verlaten heeft om dat éne woord, die éne alles verhelderende volzin op te schrijven (die dan 's ochtends prompt weer geschrapt wordt), zal begrijpen wat ik bedoel. Anderen niet. Waar zou de wetenschap zijn zonder deze factor? Iedere echte wetenschappelijke prestatie, groot of klein, vergt een ongehoorde geestelijke inspanning en concentratie, waarbij uren niet tellen en die met geen geld of gratificatie te betalen zijn. Slechts wie aangetrokken wordt door het bitterzoete amusement van de wetenschap, weet dit op te brengen. Ontegenzeglijk speelt daarnaast eerzucht een rol, geen geringe zelfs, maar wie daardoor alleen gedreven wordt, zal de race niet volhouden.

Max Weber, ik zei het al, sprak tot studenten. Wij kunnen ons afvragen: hoeveel hedendaagse studenten zouden zich genspireerd voelen door zijn woorden. Naar verhouding heel weinig, valt te vrezen, té weinig. Het is waar, de student voor wie de studie geen doel maar middel is, is van alle tijden. Maar als ik zie hoezeer dat type student thans de overhand krijgt, houd ik mijn hart vast. Kijk, in paginagrote, hoerige advertenties die per jaar meer dan 10 miljoen kosten, ¹4 geven de universiteiten hoog op van hun wetenschappelijkheid, maar wat blijft daar op deze manier van over? Ik denk aan de duizenden die afkomen op de studie bedrijfskunde en op al die opleidingen met de toverwoorden "beleid' en "management' in hun vaandel.

Natuurlijk is het volstrekt legitiem om beleid en bedrijf tot voorwerp van onderzoek te maken, maar het gaat mij om de mentaliteit. Niet alleen van studenten trouwens. In Amsterdam is kortgeleden een tweejarige studie "Organisatie en Beleid' van start gegaan, die een spectaculair succes blijkt in de slag om de gunst van de student: grote aantallen komen er op af. De course manager[!] constateert dan ook tevreden: ""[Deze opleiding] biedt het calculerend individu een gunstige investeringsoptie.'' ¹5 Als je dat leest zou je gaan verlangen - bijna - naar de roerige periode nog maar zo kortgeleden, waarin "het bedrijfsleven' voor studenten een welhaast obsceen woord was.

Een Rotterdamse collega van de Faculteit Bedrijfskunde geeft grif toe dat de doorsnee-student bij hem voldoet aan het beeld: snel, berekenend en op zoek naar het grote geld. ""Tien jaar geleden kon je geen college over reclame geven zonder een pittige discussie over het aanpraten van behoeften bij de consument. Vijf jaar geleden durfde je als docent die discussie zelf nog wel eens te stimuleren, maar tegenwoordig moet je er niet meer mee aankomen. Onze studenten zeggen gewoon: vertel maar wat reclame is.'' ¹6 Een beklagenswaardig man, die collega, maar ook die studenten zijn niet te benijden. Je zult toch maar die dikke en moeilijke handboeken moeten doorwerken terwijl het heilig vuur ontbreekt!

Een studie als antropologie trekt relatief nog maar weinig studenten, want het is waar, hun beroepsperspectief is bar ongunstig. Ik heb de laatste maanden het voorrecht gehad een vrij groot aantal van deze studenten te spreken, meestal pientere meiden. Ik informeerde waarom ze toch dit vak gekozen hadden. Blijkbaar werd hun dit veelvuldig gevraagd, want ze hadden hun antwoord meteen klaar: ""Al die studenten bedrijfskunde moeten ook nog maar afwachten of er een baantje voor ze is. En als het dan allemaal toch zo onzeker is, doen wij liever iets wat we interessant vinden.'' Of nee, eigenlijk zeiden ze ""... wat we leuk vinden'', want dat is het moderne woord. "Leuk' staat trouwens dichtbij "amusant'. Tegen hun docenten heb ik gezegd: ""Tel uw zegeningen.''

Eerder stelde ik de vraag of we wetenschappelijk werk dat geen buitenwetenschappelijk doel dient, zullen betitelen als l'art pour l'art-activiteit. Ik wil nu voorstellen daarvan niet te spreken bij al dat onderzoek waarvan de strekking is de natuur, de samenleving of enig onderdeel daarvan in zijn wording of werking te verklaren - het werk van Darwin is daarvan een overduidelijk voorbeeld. De term l'art pour l'art blijft dan gereserveerd voor gevallen waarin van verklaren niet of nauwelijks sprake is. Dit laatste soort onderzoek vinden we, als ik het wel heb, vooral bij de alfa-wetenschappen.

Als voorbeeld een studie van Posthumus Meyjes (1990) getiteld: "Jean Hotman's English connection'. Deze Jean Hotman, geboren in Lausanne, leefde van 1552-1635. Als betrekkelijk jongeman heeft hij tien jaren doorgebracht in Engeland, eerst als huisleraar van de zonen van een Engelse grootheid, daarna als een van de secretarissen van de Graaf van Leicester. Deze betaalde hem miserabel slecht, zodat hij enige jaren in nette armoe geleefd heeft; in het gevolg van Leicester is hij ook nog korte tijd in Nederland geweest. Bijzondere dingen heeft deze man eigenlijk niet gepresteerd, toen niet en later niet, en deze studie beschrijft dan ook, aan de hand van zijn correspondentie, zijn gewone wederwaardigheden in die tien jaar, vooral de contacten die hij daar onderhield met bekende en minder bekende persoonlijkheden.

Vergis u niet, dit kleine geschrift is een wonder van geleerdheid. Wie zich verdiept in het omvangrijke notenapparaat wordt gewaar met hoeveel hartstocht en hardnekkigheid de auteur ook de kleinste bijzonderheden heeft uitgezocht. In de eigenlijke tekst wordt de lezer daarmee overigens niet lastig gevallen, die vormt een elegant en schijnbaar moeiteloos geschreven lopend verhaal.

De hoogste lof dus. Maar het blijft eigenaardig dat zo'n geschrift het stellen moet zonder iets van een echte probleemstelling. Er wordt niets mee betoogd. Hotman was een ijverig en niet ongetalenteerd briefschrijver, wiens correspondentie grotendeels behouden is gebleven. De aanwezigheid van die bundel brieven schijnt voor de auteur voldoende aanleiding geweest te zijn aan de slag te gaan. Hier schuilt een gevaar! - maar hoe breng ik dat onder woorden zonder de indruk te wekken een lummel te zijn die de humaniora naar het leven staat? De kwestie is: hoe voorkom je dat je onderzoek een vergaarbak van trivialiteiten wordt als je de strakke discipline mist die uitgaat van een centrale probleemstelling? Juist omdat zovele onderzoekers niet plichtmatig te werk gaan, maar hun werk met hart en ziel verrichten, lijkt ieder detail hun van gewicht. De neiging om zichzelf te verliezen in die details en de lezer ermee te overstelpen is toch al zo groot. Ik weet dat uit eigen ervaring en wil dit punt dan ook toelichten met een anekdote uit mijn eigen praktijk (met excuses bij voorbaat voor het nietige karakter ervan).

Kortgeleden heb ik een biografische schets vervaardigd van de grondlegger van de sociale wetenschappen in Nederland, S.R. Steinmetz. Toen deze in 1933 aftrad als hoogleraar werd hem een schilderij aangeboden van hemzelf, geschilderd door een oude vriend van hem, Jozef Israëls. Deze maakte vier portretten en liet het huldigingscomité de keuze. Toen oud-leerlingen dat hoorden, wendden zij zich tot de schilder en kochten, de een na de ander, de drie overige portretten. Dat is het verhaal zoals mij dat, zoveel jaar geleden, verteld is door Steinmetz' opvolger. Wat bleek me nu echter al lezend en navragend? Dat vier personen een geschilderd portret van hun geliefde leermeester in hun studeerkamer hebben gehad. Vier, niet drie! Ik wil niet zeggen dat ik daar wakker van gelegen heb, maar toch. Ik rustte niet voor ik de oplossing van dit raadseltje gevonden had. De weduwe van een dezer mannen vertelde mij uiteindelijk dat ook een tweede schilder een portret van Steinmetz vervaardigd had en dat was in het bezit van haar man gekomen. Pas toen drong het tot mij door dat dit detail van geen enkel belang was voor de biografie die ik aan het schrijven was.

Na zo uitvoerig de lof gezongen te hebben van amusement en hartstocht binnen het wetenschapsbedrijf, acht ik het mijn plicht ook de nadelen en bezwaren die daaraan kleven, aan te stippen.

Grote geleerden zijn veelal krachtige persoonlijkheden, die zich met ware hartstocht vastklampen aan hun favoriete theorieën, "tot de dood hen scheidt.' ¹7 Ook in dit opzicht kan Darwin als voorbeeld dienen. Aan de ene kant zegt hij: ""Ik ben een objectieve wetenschapsbeoefenaar; ik ben neutraal, mijn theorie staat open voor weerlegging . . . Het is de inductieve werkwijze, het zijn de feiten die mij tot de evolutie gebracht hebben, ik kan me niet voorstellen dat de wens om gelijk te hebben daar iets mee te maken heeft.'' ¹8 Er is geen enkele reden om te twijfelen aan zijn oprechtheid als hij zulke dingen zegt. Zij zijn in overeenstemming met het heersende beeld - toen, maar veelal ook nu nog - van hoe de man van de wetenschap te werk gaat en Darwin was ervan overtuigd dat hij daarnaar handelde.

Maar er zijn ook heel andere uitingen van hem bekend. Dat zijn theorieën hem even dierbaar zijn als zijn kinderen. Dat hij er bijna niet toe kan komen een artikel of een boek te lezen dat contrair is aan zijn ideeën. Als iemand kritiek op hem levert is hij woedend, hoe gegronder de kritiek des te bozer is hij. Hij kan er niet van slapen en wordt er letterlijk ziek van. Is het iemand met wie hij vriendschappelijke betrekkingen heeft onderhouden, dan beschouwt hij die als een verrader en houdt krijgsraad met zijn medestanders hoe hem op de meest vernietigende wijze van repliek te dienen. ¹9

Ook dit is het werk van de hartstocht. Ik voeg er nog aan toe dat zulke verschijnselen niet eens altijd nadelig zijn voor de progressie van de wetenschap. Als tegengestelde opvattingen op het scherp van de snede worden uitgevochten, des te beter. Ze worden pas schadelijk wanneer er binnen de wetenschap facties ontstaan die elkaar ignoreren en van elkaars werk niet eens meer kennis nemen. Ook dat komt veelvuldig voor, volgens sommigen vooral binnen de sociale wetenschappen. Maar van dit laatste ben ik nog zo zeker niet.

S chade voor de wetenschap ontstaat vooral als een theoriebouwer zijn eigen theorie zo hartstochtelijk aanhangt dat hij deze immuun gaat maken voor weerlegging. Welke feiten men ook aanvoert, ze worden zo genterpreteerd dat zij de theorie bevestigen. Een beroemd voorbeeld is Freud. In de meesterlijke biografie die Peter Gay over hem geschreven heeft, zijn daarvan opmerkelijke staatjes te vinden. Zo veronderstelde Freud bij een vrouwelijke patiënt dat zij erotische gevoelens koesterde jegens haar vader. Als zij dat toegaf zag hij dat als bewijs voor de juistheid van zijn stelling, als zij dat heftig en gerriteerd ontkende eveneens: ""ja betekent ja, maar nee betekent ook ja.'' ²º Ook Freud was zich van geen kwaad bewust en was en bleef er heilig van overtuigd dat zijn werk paste in de positivistische wetenschapstraditie van zijn tijd. ²¹

Een laatste schadelijk effect kan ontstaan - ditmaal niet zozeer voor de wetenschap als wel voor de maatschappij - als onderzoekers hun doeleinden najagen zonder morele restricties in acht te nemen. Science sans conscience zoals ze dat in Frankrijk noemen. Brave, fatsoenlijke burgers die, omdat ze het belang van hun wetenschap laten prevaleren, de meest verschrikkelijke dingen doen. Voorbeelden te over hiervan binnen het domein van de natuurwetenschappen, die zo bekend zijn dat ik ze niet hoef op te rakelen. Hier alleen een historisch voorbeeld dat zich heeft voorgedaan binnen de antropologie.

Het betreft Herman ten Kate, antropoloog van een vorige generatie, die langdurig onderzoek heeft gedaan bij indianen in het Zuidwesten van de Verenigde Staten. Zoals zo velen in die jaren meende hij dat je aan de schedelvorm van mensen wonderwat kon aflezen. Dus verrichtte hij overal waar hij kwam schedelmetingen bij levende mensen. Maar hij wilde ook buitengewoon graag beschikken over schedels van overledenen, van iedere stam minstens één. Hij beschrijft zelf in geuren en kleuren en zonder een greintje schaamte - hij deed het immers voor een Hoger Doel - hoe hij te werk ging om deze te bemachtigen:

""... Toen ik de begraafplaats (bij een bepaalde indiaanse nederzetting) had gezien, kon ik de verleiding niet weerstaan een poging te wagen om een schedel machtig te worden. Doch ik diende voorzichtig te wezen, want wie kon weten waartoe deze anders zoo vreedzame indianen in staat zouden zijn, wanneer zij bemerkten dat men de graven hunner voorvaderen geschonden had!

...Op zekere morgen, kort vóór de dageraad gingen we (de auteur samen met een helper) langs een omweg naar de graven, gewapend met een langen haak, een zak, een kaars en, om op alles voorbereid te zijn, ook met onze geweren. Geen ander geluid dan het gehuil der coyotes (canis latrans) verstoorde de stilte van den nacht, toen we voorzichtig, steen voor steen aan het afbreken gingen van een graf, dat we reeds bij dag om zijn gunstige ligging voor onzen rooftocht hadden bestemd.

Toen we eindelijk een opening hadden verkregen, groot genoeg om een hoofd door te laten, ontstaken we de kaars en keken naar binnen. Daar zat het doodshoofd van een braven krijger ons grimmig aan te staren, maar weldra zat de haak om zijn jukboog en trok ik hem van den romp naar buiten. Het begon reeds te dagen in het oosten en we moesten het graf nog zorgvuldig sluiten... Vóór de zon boven de kim verrees, had ik mijn schat in veiligheid.''

In een andere nederzetting stond Ten Kate op het punt op dezelfde wijze een schedel te kapen, toen hij een gewapende indiaan gewaar werd, die hem was gevolgd en van een afstand gadesloeg, leunend op zijn geweer. Hij zag op dat moment af van zijn voornemen, maar het voorval maakte geen einde aan zijn bezetenheid. Hij ging door schedels te verzamelen, met wisselend succes. Eens was hij te gast bij een blanke arts die hem bezwoer de indianenschedels met rust te laten, bang als hij was zelf het slachtoffer te worden van hun wraak. Maar veel later, Ten Kate was alweer terug in Nederland, stuurde hij hem per postpakket een schedel op. Deze moet zich nu nog bevinden in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. ²²

Hier is duidelijk meer aan de hand dan het idiosyncratisch gedrag van een individu. U moet weten, deze Ten Kate was een romantisch en zachtmoedig mens, die zich schwärmerisch uit kon laten over indianen als nobele wilden en hoog opgaf van zijn goede betrekkingen met hen. En hoe hij het beste met ze voor had.

Twee dingen zijn ter verklaring van belang. In de eerste plaats natuurlijk de staat van totale ontrechting waarin die indianen verkeerden. Verder ook, en voor ons onderwerp belangrijker, het feit dat de wetenschap toen in haar triomfale fase verkeerde, waarin nog onomstreden gold: wat goed is voor de wetenschap is goed voor de mens, en dus ook: wat de wetenschap doet of wat haar beoefenaars doen is welgedaan. Dat geloven wij allang niet meer... Waarmee niet gezegd is dat wetenschappelijke hartstocht niet meer tot excessen leiden kan.

Wie mijn levensloop toevallig kent, houdt mij, met mijn betoog over amusement in de wetenschap, wellicht voor de vos die de passie preekt. Ik ben mij, nu alweer jaren geleden, bezig gaan houden met onderzoek in opdracht, zij het wel in dienst van een universiteit. Collega's die zulk onderzoek nooit aan de hand gehad hebben, zijn het over een ding eens: het moge wellicht een zeker nut hebben, maar wetenschappelijk gezien is er kraak noch smaak aan.

Ik kan slechts voor mijzelf spreken. Eerst heb ik lang te maken gehad met "vrij' onderzoek, daarna met onderzoek in opdracht. Ik kan met de hand op het hart verzekeren dat die laatste periode mij bepaald niet minder inspiratie en amusement heeft opgeleverd dan de eerste. Ik ontken niet dat er tal van routineuze onderzoeken en onderzoekjes in opdracht uitgevoerd worden. Of onderzoek? Vaak gaat het slechts om een min of meer veredelde vorm van registratie. ²³ Maar wie selectief is - en dat moet een universitaire instelling zijn - kan opdrachten verwerven die wetenschappelijk alles bieden wat een mens zich wensen kan. Opdrachtgevers komen soms wel degelijk met, ook wetenschappelijk, interessante vragen en zijn bovendien soms toegankelijk voor suggesties wat te onderzoeken of hoe iets te onderzoeken. Een eeuwig probleem is wel dat zij geneigd zijn de tijd te onderschatten die het kost om onderzoek dat die naam verdient, ordentelijk uit te voeren en de resultaten behoorlijk op papier te krijgen. Omgekeerd treuzelen onderzoekers soms ook wel hinderlijk lang. En tijd is geld.

E erder heb ik een onderscheid aangebracht tusse onderzoek gericht op verklaring versus onderzoek geriht op verandering. Je zou verwachten dat onderzoek in opdracht altijd of bijna altijd tot die laatste categorie behoort. Toch is dat niet zo. Bij opdrachtgevers is de gedachte aan verandering wel altijd op de achtergrond aanwezig, maar vaak willen zij eerst wel eens precies weten wat er in de maatschappij aan de hand is. Gelukkig maar, want verklaring en verheldering van de wirwar van menselijke betrekkingen, daarin schuilt de kracht van de sociale wetenschappen. Politici en beleidvoerders die veranderingen overwegen, kunnen met behulp van de aldus verworven kennis meer verantwoord te werk gaan. Of dat ook altijd gebeurt is een tweede.

Een bijkomende voldoening in het geval van opdrachtonderzoek is dat het bij kan dragen - hoe miniem misschien ook - aan de oplossing van maatschappelijke problemen. Maar deze voldoening is van geheel andere aard dan die het onderwerp was van deze verhandeling.

Sebald Rudolf Steinmetz - zijn naam kwam reeds ter sprake - hield als jonge man bijna honderd jaar geleden zijn Openbare Les als privaat-docent aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. De woorden waarmee hij deze afsloot kunnen als handzame samenvatting gelden van mijn betoog:

""...Maar is het niet dwaas, is het niet ouderwetsch nog een toon van verrukking over de Wetenschap te uiten?... Het publiek denkt dat studie een dorre pret voor drooge menschen is. Dit is geheel valsch. Het exact vorschen is machtig bewegend als een drama, het precies weten geeft een weelderig genot. Het echte vorschen is wijder, dieper, feller, intenser leven.'' ²4

Noten:

1. Julien, P.: Kampvuren langs de evenaar. Amsterdam, 1940 (elfde druk 1957)

2. In een "Brief uit Afrika' waarin ik heet van de naald verslag uitbracht van mijn belevenissen, is van die existentiële twijfel slechts tussen de regels door wat te lezen. Köbben, A.J.F.: Brief uit Afrika. Geografisch Tijdschrift 7 (1954): 14-17

3. Grosskurth, Ph.: Margaret Mead; a life of controversy. Londen, 1988. pp. 28, 35-36

4. Köbben, A.J.F.: Van primitieven tot medeburgers. Assen, 1964. p. 171

5. Murdock, G.P.: Social structure. New York, 1949. pp. 166-168

6. Geciteerd bij Büchmann, G.: Geflügelte Worte. Paschke, Berlijn, 1926. p. 185

7. Zie bijvoorbeeld Langeveld, H.M.: De fundering van het menselijk kapitaal. Afscheidsrede E.U.R., 1991. p. 15

8. Desmond, A. en J. Moore: Darwin. Londen, 1992. pp. 123, 341, 620

9. ibidem, pp. 242, 282, 426-430, 553

10. Vernon Jensen, J.: Thomas Henry Huxley; communicating for science. Londen, 1991. p. 65

11. Desmond en Moore (1992). pp. 160-161, 533, 535

12. ibidem, pp. 601-602. Marx had Darwin de tweede druk van zijn boek toegestuurd met een eerbiedige opdracht.

13. Weber, M.: Wissenschaft als Beruf (eerste druk 1919). In: idem: Schriften zur Wissenschaftslehre. Ditzingen, 1991. pp. 237-273

14. de Kievith, H.: Universiteiten dingen om de gunst van student-in-spe. Leidraad 7 no. 4: (1992). pp. 10-11

15. Bijlsma, K.: HBO-doorstroomstudie "Organisatie en Beleid'. in: Sociodrome 1991, nr 5. pp 4-8

16. In "Quod Novum' 13 november 1991

17. Zie: Mitroff, J. (1974): The subjective side of science; a psychological inquiry into the psychology of the Apollo moon scientists. Amsterdam-New York, 1974.

18. Desmond en Moore (1992), pp. 324, 731.

Campbell, J.A.: Charles Darwin; rhetorician of science. In: J.S. Nelson e.a.: The rhetoric of the human sciences; language and argument in scholarship and public affairs. Madison, 1987

19. Desmond en Moore (1992): pp. 370-371, 490, 583, 608-609, 611

20. Gay, P.: Freud; a life for our time. New York, 1989. pp. 109, 127, 250-251, 334

21. ibidem. pp. 119, 334, 534

22. Hovens, P.: Herman F.C. ten Kate jr. (1858-1931) en de antropologie der Noordamerikaanse Indianen. Diss. Nijmegen, 1989. pp. 80-82, 207-210. Het citaat van Ten Kate is te vinden op p. 81

23. Voorbeelden hiervan in Köbben, A.J.F.: Het heilig vuur; over moeilijkheden en mogelijkheden bij onderzoek inzake minderheden. Leiden, 1980. pp. 5-11

24. Steinmetz, S.R.: Het goed recht van sociologie en ethnologie als in zijn tekst het Duitse woord "praller'.