Verdwenen schooltassen

Conrector J. Stekelenburg schuift zijn stoel naar achteren en gaat er even bij staan. Hij houdt zijn hand iets boven zijn middel: ""Zo'n klein jongetje was het. Dertien jaar. Je zou hem als laatste verdenken van diefstal.'' Toch was dit tweede-klassertje de "hoofddader' bij een reeks diefstallen sinds afgelopen voorjaar op het Fons Vitae Lyceum (HAVO, VWO) in Amsterdam. Er werden fietsen van de binnenplaats gepikt, étuis bleken ineens leeg, zakrekenmachines waren nergens meer te vinden en peperdure schooltassen verdwenen spoorloos, terwijl de inhoud soms ergens anders werd teruggevonden.

Stekelenburg zegt weinig te verbergen te hebben; er is geen school waar niet gestolen wordt. Maar dit is wel een heel ongelukkig tijdstip om met zo'n kwestie in de openbaarheid te komen. Hij kijkt wat benauwd en fronst de donkere wenkbrauwen: ""Het is precies het moment dat de nieuwe leerlingen worden aangemeld. We hebben vorige week de open dagen gehad.'' Hij aarzelt even. ""Openheid kan zich ook tegen je keren.''

Toch steekt hij van wal. Eerst voorzichtig over de "filosofie' die op Fons Vitae bestaat ten aanzien van diefstal. Een school is een gemeenschap, vindt hij, waar men geacht wordt verantwoordelijkheid te dragen voor zichzelf en voor anderen. Je moet elkaar kunnen vertrouwen. Sociale controle en het besef van normen en waarden zijn daar onlosmakelijk mee verbonden. De conrector vindt dat als er dingen op school gebeuren die niet door de beugel kunnen leerlingen dat moeten melden. Pobleem is alleen dat zoiets op deze puberleeftijd vaak als klikkerij wordt ervaren. ""Kluisjes hebben wij altijd als een zwaktebod beschouwd'', zegt Stekelenburg, ""want we vinden dat er op een school gewoon niet gestolen mag worden. En áls het gebeurt moet je er bovenop zitten en de zaak tot een oplossing proberen te brengen.''

Een jaar of drie geleden werd de school af en toe geconfronteerd met diefstal. Om daar een eind aan te maken stuurde de schoolleiding in samenspraak met de leerlingenraad een brief rond waarin een dringend beroep gedaan werd op het gemeenschapsgevoel van de ruim zeshonderd leerlingen. Maar er stond ook een niet mis te verstane waarschuwing in: wie betrapt wordt op diefstal moet van school. Het werkte: er werd nauwelijks meer gepikt. Tot mei vorig jaar. Bij de rector kwamen steeds vaker meldingen binnen dat er spullen weg waren. Alle vermissingen werd keurig genoteerd. Ondertussen groeide de verontrusting.

Stekelenburg is er niet het type naar om wakker te liggen van school, maar de diefstal die de afgelopen weken aan het licht kwam heeft hem, zo moet hij toegeven, wel een paar woelige nachten bezorgd. Het begon met een proefwerk dat bij de wiskundelerares was gepikt. Een jochie uit de tweede werd daarbij gesnapt en net toen zijn mentor hem daarover ernstig aan het onderhouden was, verscheen zijn moeder op school. Het merkwaardige gedrag van haar zoon had haar argwanend gemaakt en na flink aandringen had hij haar een klein deel van zijn misstappen opgebiecht. De zaak rolde die vrijdagmiddag verder. Er waren nog een tweede en een derde jongen bij betrokken, maar zij worden beschouwd als "bijdaders'. En al snel bleek dat er niet alleen op school was gestolen. Ook in de winkels die in de pauze werden bezocht verdween er van alles in de zakken van de jongens. Er werd uitvoerig met de ouders van het drietal gesproken en ook in de klas werd de affaire door de mentoren aan de orde gesteld. Vrijwel alle kinderen bleken min of meer op de hoogte te zijn geweest van de vergrijpen of hadden in elk geval een ernstig vermoeden. De gestolen waar werd soms op school te koop aangeboden. Wat ze niet wisten was dat het om zoveel diefstallen ging. Uit het klassegesprek bleek bovendien dat sommige leerlingen zich bedreigd hadden gevoeld door een van de drie jongens. Dat was de reden waarom ze hun mond hadden gehouden. ""Na dit gesprek heerste er in de klas een geweldig gevoel van opluchting'', weet Stekelenburg, ""er was een last van de kinderen afgevallen.''

Daags na het klassegesprek lag er bij alle ouders van deze leerlingen een brief van conrector Stekelenburg op de deurmat waarin de daders met naam en toenaam worden genoemd. In de brief wordt vermeld dat de dertienjarige "hoofddader' op aandringen van school naar de kinderpsychiater wordt gestuurd en dat de tweede dader door zijn moeder onmiddelijk van school is genomen. Het intimiderende gedrag van de derde jongen wordt niet langer getolereerd, zo is in de brief te lezen. Bij herhaling kan hij verdwijnen. De ouders worden uitdrukkelijk verzocht om met hun kinderen over de diefstal-affaire te praten en daarbij het besef van normen en waarden vooral niet uit het oog te verliezen.

""Er is voor gekozen om open kaart te spelen omdat zoveel leerlingen ervan afwisten'', verdedigt conrector Stekelenburg deze opmerkelijke openheid. ""Met een vage brief richt je juist schade aan en krijg je indianenverhalen. Wanneer je schrijft dat sommige kinderen er wel en anderen er niet mee te maken hadden, dan pleeg je een waardeloze manier van openheid. Ouders zullen zich altijd afvragen wat hun kind met de zaak te maken heeft.'' Na een korte schorsing zijn de twee jongens weer terug in de klas. ""We hadden deze dertienjarige leerplichtige kinderen natuurlijk ook meteen van school kunnen sturen'', zegt Stekelenburg, ""dat is een stoere maatregel en je bent meteen van alle problemen af. Maar het is ook wel erg makkelijk.'' De gestolen goederen zijn voorzover ze niet verkocht waren teruggegeven aan de eigenaars. Voor het spul dat niet meer boven water kwam zal een schadevergoeding moeten worden betaald. En een dezer dagen maakt Stekelenburg met de diefjes een ronde langs de gedupeerde winkeliers in de omgeving. De conrector houdt het recherchewerk het liefst in eigen hand. De politie blijft erbuiten. ""De spullen zijn terug, de schade wordt betaald, er is een psychiater ingeschakeld, wat kan de politie daar nog aan toevoegen? Die jongens worden nu door ons goed in de gaten gehouden. Reken daar maar op.''