Polemologie gesneuveld

Een instituut voor de studie van conflicten dat niet in staat blijkt zijn eigen conflicten op te lossen: het lijkt een schoolvoorbeeld van ironie. Het Groningse Polemologisch Instituut wordt per 1 maart gesloten. ""Als iemand door een ambulance overreden wordt, vinden mensen dat kennelijk grappig'', zegt oud-medewerker Jaap Nobel.

Peinzend kijkt professor B.V.A. Röling vanaf de muur toe hoe de verhuizers de bibliotheek van zijn Polemologisch Instituut uitruimen. Per 1 maart 1993 komt een eind aan de vakgroep die hij dertig jaar geleden oprichtte, en die beloofde een "wetenschap van oorlog en vrede' te bieden. Zijn opvolgers zijn het slachtoffer geworden van bezuinigingen, maar ook van hun onvermogen om een onderling conflict te beslechten.

Dat de juridische faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen eind jaren tachtig beknibbelde op een instituut dat zich nauwelijks met het recht bezig hield was onvermijdelijk, vinden de oud-medewerkers. En dat het einde van de Koude Oorlog de zaak vereenvoudigde, ligt ook voor de hand. “Gorbatsjov heeft ons de das omgedaan”, grapt polemoloog Herman de Lange. Maar het instituut heeft het zijn broodheer wel gemakkelijk gemaakt. Want het gekibbel tussen hoogleraar Hylke Tromp en zijn vakgroep vanaf 1989 heeft hun onderhandelingspositie allesbehalve versterkt.

De bereidheid om over het conflict na te kaarten is minimaal. Hoogleraar Tromp wil niet praten voordat hij zijn nieuwe leerstoel in "environmental security' aan de rechtenfaculteit heeft bezet. Van de zes medewerkers staan alleen Jaap Nobel en Herman de Lange de pers te woord, onder de voorwaarde dat het gesprek niet over het recente verleden zal gaan. ""Het rouwproces is voltooid. Ik wil naar de toekomst kijken'', zegt De Lange.

De opheffing van het instituut heeft bij de oud-medewerkers tot kritische reflectie geleid, waarbij ook de oprichter niet buiten schot blijft. ""Röling verviel nogal eens in de fout van een moraliserende declamatie'', zegt Jaap Nobel, zijn voormalige assistent, die begin deze maand zijn gedachten over de oprichter op papier zette. ""Zelfs op ons kwam hij wel eens wat prekerig over.'' Nobel noemt Röling een ""estheet'', voor wie de wereld uiteenviel in goed en kwaad, mooi en lelijk. Hij was een idealist met een scherpe politieke intuïtie, maar een ""slordig geleerde''. Een rijzige, imponerende verschijning, die met een ironisch opgetrokken wenkbrauw een discussie kon beslechten.

Röling richtte het Polemologisch Instituut op in 1962, op het heetst van de Koude Oorlog. Het beton van de Berlijnse Muur was nog nauwelijks droog en de Cubaanse rakettencrisis stond op het punt los te breken. Rölings mening dat er behoefte was aan een "wetenschap van oorlog en vrede', viel op dat moment in vruchtbare aarde. Zijn polemologie - een begrip dat al in 1948 door de historicus J. Romein was gebruikt - wilde zich onderscheiden van de traditionele studie in de internationale betrekkingen. Het kritiseerde de strategische en politieke concepten rond de nucleaire afschrikking en de ongelijke Noord-Zuid-relatie. Een maatschappij-kritische studie moest het worden.

""We brachten te veel tijd door op volkshogescholen, vormingscentra en legerscholen'', zegt Herman de Lange, die eind jaren zestig bibliothecaris werd van het instituut. ""Het was in de tijd dat de wetenschap maatschappelijk relevant moest zijn. Polemologie was volkseigendom. Ik moest soms uren praten met oude vrouwtjes die uitlegden dat alle oorlogen waren veroorzaakt door de paus. Of met een pacifist die muurbrede schema's voor de universele wereldvrede uitvouwde. Dat hoorde er allemaal bij.''

In de vroege jaren zeventig leken de "geweldstheorieën' van de Scandinavische vredeswetenschapper John Galtung een eigen identiteit aan de polemologie te kunnen geven. De Lange: ""We waren erg onder de indruk toen die Zweden en Noren voor het eerst met hun schema's en computeruitdraaien kwamen. Rubriceren tegen de wanorde. Achteraf niet meer dan een uiting van de bureaucratische geest. Het bleek een doodlopende weg.'' Simulatiespelen om de internationale politiek te analyseren waren ook enige tijd in de mode; Hylke Tromp promoveerde op een verslag van een dergelijk spel.

Begin jaren tachtig kwamen vanuit de juridische faculteit signalen dat het ongeveer een miljoen per jaar kostende instituut zich te weinig met het recht bezighield en moest afslanken. Maar voor ingrepen was het nog te vroeg. ""De polemologie ontleent zijn bestaansrecht aan de somberheid van de voorspellingen'', stelde politicoloog Bart Tromp (broer van Hylke Tromp) in 1981. En de voorspellingen waren begin jaren tachtig erg somber. De Lange: ""Het was zo'n periode dat iedereen de ondergang voelde naderen en gepensioneerde generaals, artsen en dominees opeens allemaal over kernwapens moesten schrijven.'' Het instituut trok internationale aandacht: op een congres over "nucleaire oorlog in Europa' in april 1981 verschenen 149 journalisten en wetenschappers.

Het instituut kreeg in die tijd de naam "een bijkantoor van de vredesbeweging' te zijn. Niet helemaal terecht: zo maakte De Lange zich in 1980 tot het zwarte schaap van de vredesbeweging door in een interview de lezers van Panorama te verzekeren dat de kernoorlog niet zou uitbreken, dankzij de nucleaire afschrikking. De Lange: “Daarna was ik voor de media en het lezingencircuit volstrekt oninteressant. Onheilsprofeten scoorden beter in die tijd.”

Röling was al in 1976 met emeritaat gegaan. Als zijn opvolger werd de pas gepromoveerde Hylke Tromp gekozen. Met Rölings overlijden in 1985 werd de vakgroep een "Vaterlose Gesellschaft', zoals Tromp onlangs in een interview zei. Zijn discipelen, vroeger op gelijke voet met elkaar, stonden nu tegenover een hoogleraar van hun eigen generatie, die in hun ogen autoritaire trekjes bezat.

Tromp maakte opgang als schrijver van opiniestukken en als televisie-deskundige. Voor het instituut stak hij veel energie in het organiseren en bezoeken van congressen, conferenties en symposia. Zijn wetenschappelijke publikaties beperkten zich tot kritische inleidingen in de polemologie, congresverslagen en gebundelde opiniestukken. Begin jaren tachtig concludeerde Tromp zelf dat het instituut in een zwakke positie verkeerde: de wetenschappelijke prestaties waren ondermaats. Medewerkers die al halverwege de jaren zestig waren aangetrokken, konden maar niet promoveren. ""We kregen er schuldcomplexen van'', zegt De Lange. De prioriteit werd bij het onderzoek gelegd, wat tot 1987 vier dissertaties opleverde. Maar binnen het instituut groeide de vijandigheid tussen hoogleraar en vakgroep.

In 1989 kwam het tot een uitbarsting. Het was een opwindend jaar voor vredeswetenschappers. De Berlijnse Muur viel, Tsjecho-Slowakije had zijn fluwele revolutie en Roemenië zijn kerstrevolutie. Maar de Groninger polemologen hadden het voornamelijk druk met elkaar. Toen de vakgroep in september 1989 weigerde Tromp de voorzittershamer terug te geven die hij in januari 1988 tijdelijk aan medewerker Theo van den Hoogen had afgestaan, werd het duidelijk dat een onwerkbare situatie was onstaan.

Er kwamen bemiddelaars van de juridische faculteit, het studieterrein van de polemologen vernauwde zich maandenlang tot de Wet op Wetenschappelijk Onderwijs. Maar zelfs een lang weekeinde op een Drentse therapieboerderij kon de partijen niet tot elkaar brengen. De hoogleraar vertoonde zich alleen nog in de zeer vroege ochtend op zijn instituut, zijn communicatie beperkte zich tot formele briefjes die de medewerkers bij binnenkomst op hun bureaus vonden.

Over de concrete inzet van het conflict is men binnen de vakgroep nog altijd zeer zwijgzaam. Notulen van vakgroepsvergaderingen en enkele vertrouwelijke brieven bieden echter enig inzicht. Daaruit blijkt dat Hylke Tromp in 1988 zijn bestuurlijke activiteiten had willen opschorten voor een een niet nader omschreven onderzoek in Genève. Enige maanden later kwam het echter tot een daverende ruzie tussen Tromp en Van den Hoogen.

De medewerkers verweten de hoogleraar eigenmachtig optreden. Zo zou hij zonder overleg een grote conferentie van het IPRA (International Peace Research Association) in Groningen hebben gepland in 1990. Maar hun woede was vooral gewekt door een vertrouwelijke brief die Tromp in juni 1988 buiten hun medeweten stuurde naar de directeur beheer van de rechtenfaculteit, M. Klomp, over ""de directe toekomst van een aantal medewerkers van het Polemologisch Instituut''. De hoogleraar schreef dat er ""dwingende redenen'' waren ""om na te gaan of het niet mogelijk is een regeling te treffen die het mogelijk maakt deze medewerkers van hun taak te ontheffen''. Ze zouden niet in staat zijn onderzoek ""naar behoren uit te voeren'' en moesten daarom om wachtgeld gezet worden, dan wel overgeplaatst.

De vakgroep zocht en vond enige scherpe munitie tegen de hoogleraar. In de tijd die hij had uitgetrokken voor onderzoek in Genève, bleek Tromp aan de universiteit van Frankfurt colleges te hebben gegeven ""op uitgebreide schaal en tegen aanmerkelijke vergoeding'', aldus het verslag van een vakgroepsvergadering op 20 september 1989. De vakgroep hoorde dat pas later, en ook de juridische faculteit was niet op de hoogte.

Volgens Tromp had hij zijn neveninkomsten in Frankfurt al in 1988 bij de faculteit gemeld. Hij had ze gebruikt om zijn onderzoek in Genève te bekostigen en zijn reiskosten te dekken. Volgens de notulen meende de hoogleraar dat ""aanmerkelijke neveninkomsten ter beschikking komen aan onderzoek van de vakgroep en degene die ze binnenhaalt de bestemming ervan mag bepalen''.

Voor het honorarium van Frankfurt - ongeveer 85.000 gulden - trof Tromp later een regeling met de faculteit. Directeur beheer Klomp: ""Het klopt dat de heer Tromp pas achteraf zijn inkomsten in Frankfurt heeft opgegeven. Dat bedrag is gebruikt om zijn onkosten in Genève te dekken. De 25.000 gulden die hij bij wijze van voorfinanciering had ontvangen, zijn teruggestort in de kas van de vakgroep polemologie. Gezien de situatie heeft de faculteit zijn financiële verantwoording natuurlijk met de uiterste zorgvuldigheid gecontroleerd.''

Ten slotte bleek Tromp, ook zonder voorkennis van de vakgroep, kandidaat te zijn voor een dekanaat binnen de rechtenfaculteit. Toen op verzoek van de overige dekanen advies werd gevraagd aan de vakgroep, liet die weten harde waarborgen te eisen tegen eigenmachtig optreden van Tromp in zijn nieuwe hoedanigheid. De kandidatuur werd stilzwijgend ingetrokken.

Tromp zelf wil op de gang van zaken ook nu geen commentaar geven. ""Ik kan alleen verzekeren dat er niets onoirbaars is gebeurd.'' Herman de Lange, die benadrukt wil zien dat hij geen informatie heeft gegeven over de inhoud van het conflict: ""De affaire is voor Hylke dan wel geen onthoofding geworden, maar een flinke bloedneus heeft hij wel opgelopen.''

Tromp werd weer als voorzitter van de vakgroep geaccepteerd, nadat de faculteit ondubbelzinnig te verstaan had gegeven dat alleen de hoogleraar die plaats kon bekleden. Als de impasse nog lang duurde, zou het instituut onder curatele worden gesteld. Sindsdien zaten hoogleraar en vakgroep hun tijd uit. De Lange: ""Het was toen nog van belang wie wat kreeg. Bij een scheiding moet je in de gaten houden waar de eikenhouten tafel blijft.'' Nobel: ""Het is verbazend dat we in die tijd nog zoveel gepubliceerd hebben.''

Voor de boedelscheiding is nu een weinig elegante oplossing gevonden. Vakgroep en professor gaan binnen de juridische faculteit hun eigen weg, de bibliotheek wordt opgenomen in de faculteitsbibliotheek en het woord polemologie mag niet meer worden gebruikt. Tromp krijgt tot 1997 een leeropdracht in veiligheidsvraagstukken in verband met het milieu bij de vakgroep bestuursrecht en bestuurskunde, een voor hem nieuw terrein. Maar ook in "Peace Research' blijft hij actief, ondermeer via zijn stichting Dubrovnik, die "Summer Schools' organiseerde in de Kroatische kustplaats. De eerstvolgende wordt op Malta gehouden.

De rest van de vakgroep is ondergebracht bij de sectie politieke wetenschappen van de vakgroep rechtstheorie en zal het "centrum voor vredes- en conflictonderzoek' oprichten. Zo ontstaan twee polemologische eilandjes binnen één faculteit. Of de leeropdracht van Tromp na 1996 een vervolg krijgt, is ongewis. Ook de nieuwe sectie politieke wetenschappen moet zichzelf nog bewijzen. ""De sectie is afhankelijk van een faculteit waarvoor de internationale politiek hoogstens een zijtoneel is. Maar ik ben gematigd optimistisch'', zegt Nobel. De Lange: ""Het wordt een studie internationale betrekkingen in traditionele zin. Niet meer hengelen naar de aandacht van de media, niet meer als gemankeerde politici commentaar geven op de actualiteit, maar terug naar de ivoren toren van de wetenschap.'' Anderen, zoals Nobel, dringen ook aan op ""een stuk maatschappelijke dienstverlening''. Maar polemologie mag niemand het meer noemen.