Onder druk van de deadline

De artsen in het ziekenhuis van Bangkok, waar ik was voor een periodiek onderzoek, vertelden me dat ik een dodelijk kankergezwel in mijn lever had.

De oncoloog was klaarblijkelijk één van die moderne medici, die meer onder de indruk zijn van hun eigen openhartigheid dan van eventuele emotionele consequenties bij hun patiënten. Hij vertelde me dat ik waarschijnlijk nog zes maanden, mogelijk een jaar, te leven had, omdat mijn gezwel van een langzaam groeiend type was - anders was het met drie maanden bekeken geweest. Mijn dochter, die erbij was toen dit vonnis werd geveld, vroeg wat haar vader in de tussentijd moest doen - zou hij een contra-expertise vragen bij een andere arts? Nee, zei hij, vader moest “het ervan nemen” - dat wil zeggen “leuke dingen doen” - want het vonnis dat hij zojuist had geveld kende beroep noch genade.

Zodra ik thuis was, begon ik aan de memoires te werken waarom mijn uitgever me al drie jaar vroeg. In drie dagen schreef ik twee hoofdstukken. Zoals Dr. Johnson had gesnoefd: niets is zo bevorderlijk voor de concentratie als een onverzettelijke afspraak met Magere Hein. Bovendien kom ik uit een cultuur die leert dat de dood een wezenlijk bestanddeel van het leven is en dat de waarde van het leven dat men in deze wereld heeft geleid uiteindelijk wordt afgemeten aan de waardigheid waarmee men zich in het onvermijdelijke schikt. De beperkte tijd van leven die me was toegemeten bood me in zekere zin zelfs een gevoel van immuniteit voor de invloed van toeval en omstandigheden, die ons her en der doen zwalken als een notedopje op de golven van de zee.

Toen werd één van de grote krachten van het leven voelbaar: de liefde van familieleden en vrienden, de belangstelling van collega's. Dat zijn niet van die doorsnee-mensen die op iedere diagnose die in een ziekenhuis in de Derde wereld wordt gesteld reageren met de stereotiepe uitspraak dat die diagnose dus verdacht is. Maar ze stonden erop dat ik me door nog een arts zou laten onderzoeken en zij zouden erop toezien dat ik "de beste' leverexpert in de Verenigde Staten zou krijgen. Een week later was ik in San Francisco. Ik had de foto's van de specialist uit Bangkok bij me. De specialisten in San Francisco bestudeerden die. Ze konden geen kankercellen ontdekken.

Een telefoontje naar de oncoloog in Bangkok leerde dat hij de foto's niet zelf had gezien en dat de foto met het bewijs dat ik terminale kanker had "zoek' was. Hij beloofde om het stukje weefsel te sturen van de biopsie die ze hadden uitgevoerd. Helaas, het stereotype leek de werkelijkheid te benaderen.

Intussen werd ik door een labyrint van futuristische apparatuur gemanoeuvreerd - een CT-scanner, een ultra-geavanceerd, gestroomlijnd kernspintomografie-gevaarte - en werden er nog eens twee puncties verricht en een batterij bloedproeven. Er bleek geen kankergezwel te vinden. Mijn vrienden en verwanten waren dolgelukkig. Ik stond minder hard te juichen, want ik stond nu voor de taak mijn toebereidselen voor een waardig heengaan ongedaan te maken. En aan die memoires zette ik me ook niet meer met hetzelfde enthousiasme. Journalisten, als u me de macabere woordspeling wilt vergeven, werken het best onder druk van een deadline. Dat ultimatum was nu opgeschort tot een vaag, weinig stimulerend "te zijner tijd'.

Aan het slot van het onderzoek werden mijn artsen, die er van meet af aan van overtuigd waren geweest dat ik geen kanker had, van hun stuk gebracht door de diagnoses van hun collega's. Opeens veranderde hun verhaal: dat ze tot dusverre geen kanker hadden gevonden, betekende nog niet dat er geen kanker zat. Het kon ook zijn dat ze gewoon nog niet precies de plek hadden gevonden waar het onheil zich schuilhield. Ze stelden voor dat ik me zou onderwerpen aan een laporotomie, die hen in staat zou stellen met camera, licht en optisch instrumentarium naar binnen te gaan om de lever in levenden lijve te “zien” en er nog twee stukjes uit te ponsen voor een nadere biopsie. Ik besloot dat het moment gekomen was om te ontsnappen aan de hi-tech-val, het Kafka-slot van de moderne geneeskunde, en mijn bestaan zelf weer ter hand te nemen. Ik zei nee, ik wilde geen laporotomie ondergaan, want stel dat ik het wel deed, en ze gingen van binnen kijken, wat zouden ze dan doen? Als ze geen kanker vonden, zouden ze het zoveelste gat willen boren en net zolang willen doorgaan tot ze een gezwel aantroffen. En als ze kanker vonden, wat konden ze er dan aan doen? Niets. Ik zei dat ik vertrok om te gaan uitrusten en mijn memoires te schrijven bij mijn dochter thuis, in de bossen, in een dorpje nabij Oxford in Engeland. Daar zou ik dan zelf over een maand eens zien hoe gezond of ziek ik me voelde.

Het stukje weefsel uit Bangkok is gearriveerd. De patholoog in San Francisco heeft het onderzocht. Geen kanker. Blijkbaar had al van meet af aan niets daarop gewezen. Maar “bewezen” dat er geen sprake van kanker is, hebben ze niet. Dus leef ik nu in een medisch schimmenrijk waar ik geen duidelijke uitspraak kan verkrijgen over een toekomst die mij wordt betwist door lieden die zeggen deskundig te zijn inzake inwendige ziekten. Het is geen prettig oord. De tijdmarges schuiven steeds op en de gissingen worden hoe langer hoe aperter. De ziekenhuizen dekken zich in tegen schadeclaims en de artsen die mijn geval onder ogen hebben gehad, willen me graag hun persoonlijke mening zeggen. Maar dat mogen of kunnen ze niet. Ook zij zijn slachtoffers van de hi-tech-machinerie en de managers die het jaar met winst moeten afsluiten.

Ik denk dat ik maar naar Azië terugga om daar een betrouwbare astroloog te zoeken die zo schrander is mijn wensen in mijn blik te lezen en me een voorspelling te doen waarmee ik kan leven, al is het maar zes maanden of een jaar. Wie de dood eenmaal heeft ontmoet en zich met hem heeft verzoend, kan dat pact moeilijk weer verbreken. Dat is een soort verraad.