KRIJGSMACHT [1]

Majoor F.J. Vermeulen toont met zijn kritiek op het uitblijven van openbare reacties over veranderingen in de Nederlandse krijgsmacht, weinig begrip voor de positie van hooggeplaatste actief-dienende militairen (NRC Handelsblad, 9 februari).

Wat mij ergert is de suggestie dat een meerderheid, of althans een groot deel van het militaire beroepspersoneel, zich niet zou kunnen identificeren met de nieuwe taakstelling van de krijgsmacht, omdat deze niet meer in relatie zou staan tot de taken waaraan dat personeel zich indertijd verbond.

Vermeulen spreekt in ieder geval niet namens mij, noch namens een groot aantal van mijn marinecollega's. Hoewel duidelijk is dat de cultuurschok met name bij de landmacht groot is, meen ik dat ook daar vele collega's zich ongemakkelijk zullen voelen met het pleidooi voor "een behoorlijke afvloeiingsregeling' voor diegenen die niet wensen deel te nemen aan VN-operaties.

Vele militairen hebben niet alleen wegens een afwisselend en (in volle vrede) relatief comfortabel bestaan voor hun beroep gekozen, maar ook uit een zeker idealisme. Zij zijn daardoor ook bereid om de in Nederland veelgeprezen internationale solidariteit indien noodzakelijk militaire handen en voeten te geven en trekken de legitimiteit van de nieuwe taken (gesteund door parlement en publieke opinie) niet in twijfel. Een expliciete "bereidverklaring' hebben zij reeds afgelegd door hun eed of belofte.

Wie zich hierin niet kan vinden dient een andere betrekking te zoeken òf - als het principes te kostbaar blijkt te zijn - onvoorwaardelijk mee te werken aan de nieuwe taken van de krijgsmacht.