Koek en limonade in een "aardsch paradijs'

Bij het Zuidfriese plaatsje Oranjewoud liggen uitgestrekte bossen waar vroeger de Friese stadhouders op herten en everzwijnen jaagden. Er zijn buitenhuizen om je aan te vergapen, chique logementen en landschapstuinen met belvédères, draaibare prieeltjes, nepgrotten, doolhoven en dweepzieke vijvers. Veel hiervan is inmiddels verdwenen of dreigt te verdwijnen, als het aan de gemeente Heerenveen ligt waar Oranjewoud onder valt.

Er bestaat een schilderij van Jeanne Bieruma Oosting (1898) dat uitzicht biedt op een zonovergoten tuin in de zomer. De bomen staan vol in het blad, de borders met begonia's en rozen bloeien. De tuin hoort bij Jeannes familielandgoed Oranjestein, waar ze haar zomers doorbracht als ze niet in Parijs of Amsterdam was. Jeanne schilderde de tuin vermoedelijk vanuit haar logeerkamer. In die kamer trok ze zich terug als de hitte te groot werd. Vandaar keek ze naar buiten en schilderde wat ze zag. Het licht bijvoorbeeld, dat haar in vlekkerige strepen tegemoet danste. Het grasveld, dat ze geel schilderde omdat dat de kleur van de zon is (en niet omdat het groen verdord zou zijn). En een wandelpad dat langs tuinornamenten en borders naar de mysterieus donkere bosrand in de verte zwierde. De behaaglijke intimiteit die het schilderij uitstraalt, herinnert aan werk van Bonnard.

Aan die zonnebadende tuin moet ik denken als ik voor Oranjestein van mijn fiets stap. De thermometer bij het station van Heerenveen gaf een half uur geleden twee graden aan. Over de velden en tussen de kale bomen hangen mistflarden. Het is waterkoud. Oranjestein, het vroegere 'aardsche paradijs' van de Bieruma Oostings, ligt er verlaten bij. De luiken zijn gesloten. Het groen bemoste hek is dicht. Het theehuisje in de tuin ziet er afgebladderd uit. Oranjestein grenst aan Huize Oranjewoud, dat op een steenworp afstand van Klein-Jagtlust en Prinsenhof ligt. Deze buitens horen bij het dorpje Oranjewoud.

Bij de ingetogen atmosfeer van nu is het moeilijk voor te stellen dat generaties Friezen en Hollanders - meestal van goede komaf - hier vroeger luidruchtig vertoefden. Oranjewoud heeft altijd allure gehad: er zijn uitgestrekte bossen waar vroeger de Friese stadhouders op herten en everzwijnen jaagden, bekoorlijke buitens om je aan te vergapen, chique logementen en landschapstuinen met belvédères, draaibare prieeltjes, nepgrotten, doolhoven en dweepzieke vijvers. De cake-walk, waggelkamer en kabelbaan in de speeltuin van Tjaarda trokken hordes schoolkinderen. Veel van deze attracties zijn inmiddels verdwenen of dreigen te verdwijnen, als het aan de gemeente Heerenveen ligt waar Oranjewoud onder valt.

Heerenveen heeft grootse plannen. De stad (een kleine dertigduizend inwoners) afficheert zich als "hoofdstad van Friesland', als "in- en uitvalspoort van het noorden'. Een grootschalig businesspark verrijst langs de snelweg ("je bent in een wip in Duitsland'), hoogbouw verschijnt in het stadscentrum. Ook Oranjewoud moet veranderen. Het dorpje moet nieuwer, moderner, grootsteedser.

Gerrit de Vries, als stedebouwkundige in dienst van de gemeente Heerenveen, spreidt structuur- en bestemmingsplannen van Oranjewoud uit op zijn bureau. Hij wijst aan: “Daar moet het gebied beter toegankelijk worden voor verkeer, daar komt een nieuwbouwwijk en daar een congrescentrum met hotelcapaciteit.” Voor dit congrescentrum (kosten circa zestien miljoen gulden) moet restaurant Tjaarda wijken, een uit het begin van de vorige eeuw daterende uitspanning. De doolhof met lachspiegelkabinet bij Tjaarda is al gerooid. De lachspiegels staan opgeslagen in een schuurtje. Het grasveld wordt leeggeharkt. Op de plaats waar achtduizend beukenheggen stonden, komt nu een parkeerterrein. De huidige eigenaar van Tjaarda wilde niet op basis van de oude plattegrond een nieuwe doolhof aanleggen. “Het duurt minstens zes jaar voordat zo'n tuin een beetje bruikbaar is,” zegt De Vries. “Dat is veel te lang.” De Vries zelf vindt het zonde dat de doolhof weg is en dat Tjaarda tegen de grond gaat. Hij zucht: “Het gemeentebestuur heeft ooit een bestemmingsplan opgesteld dat voorziet in de sloop en daar heeft ze zich in juridische zin aan te houden. Het historisch besef in Heerenveen is niet groot maar groeit wel.”

De gemeente Heerenveen trekt per jaar niet meer dan twee miljoen gulden uit om historische panden in Heerenveen en omstreken te restaureren. Voor de bouwwerken in Oranjewoud betekent dit dat ze òf verkocht worden aan bedrijven (zoals in het geval van Klein-Jagtlust en Huize Oranjewoud), òf staan te vervallen tot een sloper of een rijke genteresseerde zich over hen ontfermt. De Belvédère van Tjaarda is een voorbeeld van het laatste. De toren, die even voorbij Oranjestein boven de bomen uitsteekt, staat op instorten. Een actie tot behoud en renovatie is onlangs gestart door particulieren.

Andreas Willem Tjaarda had in 1907 een fantastisch plan, toen hij de tien meter hoge Berg van Brongerga kocht. Op de berg liet hij een eenentwintig meter hoge toren bouwen, eerst van hout, later van gewapend beton. Het was de eerste constructie van deze soort in Nederland. Aan de voet van de berg werd een grot gegraven en er kwam een limonadekiosk waar de bezoeker na de bestijging van de toren zijn dorst kon lessen.

Om aan de voet te komen van de 'Eiffeltoren van Oranjewoud', zoals Tjaarda zijn belvédère graag noemde, is tegenwoordig niet makkelijk. Jarenlang trok het bouwsel duizenden dagjesmensen, maar dat is allang niet meer zo. De prachtige achthoekige toren is vanwege de onttakelde toestand gesloten voor publiek, geen bord langs de weg attendeert op het bestaan ervan en ook op gedetailleerde plattegronden staat alleen een stipje. Een omwonende verwijst naar de Ponybaan: een provisorisch afgegrensd stukje land aan de voet van de Brongerga heuvel. Het bemoste en afgebrokkelde beton boven is bekrast met namen. De met kiezelstenen ingelegde trap hangt op de zesde verdieping los in zijn voegen. De grot is verdwenen, waarschijnlijk dichtgestort met puin.

Tjaarda's eiffeltoren heeft het geluk dat de plaatselijke rotary-club zich haar lot aantrok. De toren zal in de loop van dit jaar in haar oude luister worden hersteld. Hoog boven de boomkruinen kan iedereen dan weer uitkijken over wat eens 'de roem van de provincie' heette. En aan de voet van de berg zal dan uiteraard weer koek en limonade te koop zijn.