"Ik heb gehuild toen De Waarheid werd opgeheven'

“Dat is m'n diepste teleurstelling: dat er niets voor in de plaats is gekomen als, ja...

Als het prettige ervaren dat we” - haar stem gaat omhoog en haar dictie wordt deftig - “er nu allemaal fijn bij horen. Eén grote pannekoek is Europa en we hebben maar één politieagent en dat is Amerika. Dus we hoeven ons niet meer druk te maken.” Truus Menger (69) lacht makkelijk, maar haar diepliggende ogen staan triest en moe. Haar vroegste herinneringen: “Demonstraties waar ik op de schouders van mijn vader zat en waar de politie op inhakte. En aan de kant stonden dan mensen te schreeuwen: "Hang op, hang op! De socialen aan de lantaarn!' En dat blijft in je geheugen zitten; ik zag mijn vader al hangen. En ook dat mijn moeder werd gearresteerd: dat die arbeiders toen arm in arm liepen, de hele straat dicht en heel langzaam. Er kon niemand meer door en daar achter reed dan de arrestatiewagen met m'n moeder erin en zo is ze toen naar de Koepel gebracht. Maar waarom dat was, zo'n demonstratie of zo'n protest: dat weet je als klein kind niet.

Vanwege de werkloosheid, inhouden van steun? Er waren vergaderingen bij ons thuis van werklozencomités.''

Ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog liep ze de huizen langs om geld op te halen. “Ik de lijst en Freddie, mijn zusje, het geld.” Er werden kleren ingezameld - “Die naaide mijn moeder dan heel” - en voedselpakketten samengesteld. “Van het weinige dat bij ons de mensen hadden. Bruine bonen en een pond suiker: noem maar op.” De Spanjestrijders die terugkwamen, “jongens die hun been kwijt waren of zo en die ook heel verbitterd waren. En de films die je zag: brandende huizen waar kinderen in zaten, die voor het raam verschenen met hun gezichtjes. Dan ging er echt een geloei van huilen op in de zaal. Dat was een illegale filmliga, heel eng, want er stonden buiten agenten te kijken wie er naar binnenging. Het waren verboden films terwijl het nu eigenlijk de klassiekers zijn. Potemkin en zo.”

Inmiddels was het haar wel duidelijk geworden waar het om ging. “De strijd tegen het kapitalisme, de strijd tegen het rücksichtlos omgaan met mensen. Wat je nu toch ook weer ziet, dat de één zich verrijkt ten koste van de ander. Ons ideaal was - en is voor mij nog steeds - dat de mens gelijk zou zijn in ras en in kleur en dat je allemaal de kans krijgt je talenten te ontwikkelen. Dat in het arbeidsproces de mensen op een goede manier betaald worden. Gelijkheid en broederschap: dat was onze slogan.”

Als vanzelfsprekend kwam ze in 1940 terecht in het verzet. “Voor ons begon de oorlog toen hij voor vele anderen al beëindigd was, militair. We kregen pal na het begin al pamfletten in huis die we bij de mensen in de bus moesten doen om ze voor te lichten wat dat nou precies was, dat nationaal socialisme: een uitwas dus van het kapitalisme. Je moest het volk op de juiste manier blijven voorlichten: kranten waren daarom van het grootste belang.” Voor haar was dat De Waarheid. “Door de Duitsers verboden maar die heb ik verspreid en ik heb het huis bewaakt waar de stencilmachine stond. Gewapend: dat was het echte illegale werk. Zo heb ik ook huizen bewaakt waar de leiding in vergaderde: met een pistool en ik denk dat wij, althans mijn zusje, onder de eersten waren die ermee hebben geschoten. Ook wel... daadwerkelijk.” Haar beweeglijke gezicht valt stil; het is duidelijk dat zij het over doodschieten heeft.

Dat hun strijd er een was die offers zou vragen stond bij voorbaat vast. Daar werd ze ook in opgevoed. “De partij was een geweldige steun voor ons. Dat die achter je stond: dat was je zekerheid. Wij, communisten, hadden ons ideaal en we wisten dat we elkaar nooit zouden verraden.”

Toen hoorden Truus en haar zusje dat er in hun kleine groep een meisje bij zou komen: Hannie Schaft, Het meisje met het rode haar. “We ontdekten al gauw dat het een hele goeie meid was en we zijn toen echt bevriend geraakt.”

Tegen het eind van de oorlog werd Hannie Schaft ook communiste. “Er werd dan gevraagd vanuit de leiding of je je daartoe voelde aangetrokken en er gingen hele discussies aan vooraf. Wie lid werd moest trouw beloven aan de partij. Dat je geen verraad zou plegen.” Truus Menger, haar zusje en Hannie Schaft waren inmiddels bij een aanslag herkend. “Dat was echt een ramp: je kon 50.000 gulden verdienen als je ons aangaf. Ik heb toen wel twintig onderduikadressen gehad.”

Hannie Schaft werd aangehouden met een pistool bij zich en kranten in haar tas. “We hadden haar haar zwart geverfd maar dat ging er natuurlijk uit. Ze is op een vreselijke manier mishandeld maar ze heeft niemand verraden. Na de oorlog werd zij gevonden, bovenin een graf met andere jongens, en koningin Wilhelmina heeft toen beslist dat zij als een symbool van het verzet zou worden herbegraven. Dat vergeet ik nooit meer; langs de weg, van Haarlem tot aan de erebegraafplaats in Bloemendaal stonden alle scholen uit de omgeving opgesteld: al die kindertjes op klompjes.” Dat het ging om een communiste speelde geen rol. “Je werd erkend als iemand die moedig was geweest in het verzet. Dus was je een goede Nederlander.”

Met de "koude oorlog' kwam de omslag. “Toen waren we plotseling vijanden geworden en alles werd anders. Heel tragisch, mensen die wisten dat je communist was, goede vrienden soms, keerden zich van je af.” Zelf had ze er niet zoveel last van. “Kijk, mijn illegale werk konden ze me niet afnemen. En ik kon goed praten; ik sprak wel van me af!” Ze had ook wel kritiek. “Op de verering van Stalin bijvoorbeeld: hij was in de oorlog voor ons een opkikker geweest, de leider van het wereldcommunisme, maar ik vond: hij is een onderdeel. Daar ben je communist voor; je bent een onderdeel!” In 1952 ging ze voor het eerst naar Rusland, "ons voorbeeldland!' “Daar kwamen we ook op scholen en ik weet nog wel mijn verontwaardiging dat die kinderen daar in de houding gingen staan als we binnenkwamen, met van die rode halsdoeken om. En dat ik naar de leiding ging en zei: jullie moeten er aardige mensen van maken, geen soldaatjes!”

Hongarije, processen in de Sovjet-Unie, de Praagse Lente, scheuringen in de partij. “Vaak dacht ik: hoe hebben ze dat nou kunnen doen? Maar mijn ideaal was niet weg, dat zou toch onzin zijn? Als er een priester gaat schoot halen bij een mooie meid, dan val je toch ook niet van je geloof af?”

Vrienden in Haarlem, onder wie Mari Andriessen bij wie ze in de oorlog ondergedoken had gezeten, zorgden er voor dat ze zonder te betalen aan de Akademie 63, later Ateliers 63, lessen kon volgen in schilderen en beeldhouwen. “Omdat dat misschien wel goed voor me was om die oorlog een beetje kwijt te raken. Want er is geen verzetsman of -vrouw die daar niet van bezeerd is geworden. Ik had nachtmerries; die heb ik nog.”

De CPN zei ze op toen ze per giro haar lidmaatschap moest betalen. “Vroeger kwam daar iemand voor aan de deur en daar kon je dan nog wel eens een prettig gesprek mee hebben.” Ze vond het ook "een softe beweging' geworden. “Zo'n Ina Brouwer die aan spelletjes meedoet op de televisie in plaats van te formuleren waar ze voor staat. Allemaal gogen en logen en ogen, die eigenlijk nooit gewerkt hebben. Ze hebben gestudeerd: leuk hoor, maar wel op kosten van een ander. En die moeten nu uitmaken hoe een arbeider moet leven? Maar die communisten van de oude hap zitten ook fout volgens mij; die zijn verstard.”

Demonstraties? “Heel schattig met die lichtjes en zo. Maar dat is geen protesteren. Een protest hoort ervan uit te gaan dat er politieke beslissingen worden genomen. Tegenover dat herlevend fascisme, bijvoorbeeld. Maar dat gebeurt niet, hier in Europa; er zijn geen pressiegroepen. Doodeng vind ik dat.”

De Waarheid las ze niet meer. “Niet te pruimen, die artikelen. Seksisme is ook fascisme: wie zoiets zegt weet niet waar die het over heeft. Maar wat heb ik gehuild toen die krant werd opgeheven! Zomaar, als een lastig object! Er zijn mensen voor de Waarheid gevallen. Er zijn echte offers voor gebracht.”

Haar grootste desillusie: “Uit de bond van oud-illegalen werden op een gegeven moment de communistische verzetsmensen geroyeerd. Dat thuiskomen toen en dat lege gevoel van: we horen er niet meer bij! Die tweede Hannie Schaftherdenking werd verboden. Drees zelf had de familie benaderd dat ze zich daar niet achter moesten scharen. Een demonstratieve tocht: we hadden alleen maar kransen bij ons als wapen. En toch werden we tegengehouden door tanks waarop onze jonge soldaten zaten: dat was voor mij echt een breekpunt. Ik ben naar een van die tankwagens toegelopen en ik zei: Wou je nou werkelijk op me schieten, jongen. Ik heb toch ook voor jou gevochten? Ik kwam thuis en ik voelde me zo verschrikkelijk belazerd door alles en iedereen. Dus ik nam mijn kleine meisje mee op de fiets. Naar het strand want daar waait het dan uit, je drift. En daar liet ik me ontvallen: Ach Jezus, Hannie... En mijn kleine meid zei: "Dat ben ik hè mama?' want haar had ik naar Hannie vernoemd. En toen dacht ik: Ach ja, er zullen altijd wel weer nieuwe Hannies komen. Dat was toen mijn troost en daar geloof ik nog steeds in.”