"Ik acht het uw plicht deze brief van mij af te drukken'

Van vandaag af verschijnen de opiniepagina's van donderdag met een ruimere brievenrubriek. Deze uitbreiding biedt de redactie de mogelijkheid bepaalde ingezonden brieven meer ruimte te geven dan in de brievenrubrieken op dinsdag en zaterdag mogelijk is. De redactie hoopt daarmee de dialoog tussen de lezer en de krant aan te moedigen. De criteria, zoals vermeld in de "voorwaarden' onderaan de brievenrubriek, blijven ongewijzigd van kracht, evenals de eis dat brieven kort en bondig moeten zijn en dienen te reageren op stukken die in NRC Handelsblad zijn verschenen - dus geen open brieven of "algemene politieke beschouwingen'.

Ter gelegenheid van deze vernieuwing van de brievenrubriek publiceren wij in de komende weken enkele korte vraaggesprekken met de bekendste beoefenaren van het genre.

Waarom schrijven krantelezers ingezonden brieven? Wat beweegt deze brievenschrijvers de regering of de samenleving - dan wel de krant - de les te lezen of met andere schrijvers in de krant de degens te kruisen? Is het woede of irritatie, ijdelheid, afgunst, betweterigheid - of ontspringt die schrijfdrift aan een vrolijker gemoedstoestand? Wat door de redactie wordt ervaren als een positieve manier om via de krant met de lezer te communiceren - ook al gaat het soms om pijnlijke terechtwijzingen - lijkt, gezien de aanhef van veel brieven, vaak te worden ingegeven door negatieve gevoelens van de briefschrijver.

Veel brieven beginnen zo: "Ik ben al ruim dertig jaar abonnee van uw krant en heb me nooit eerder laten verleiden een ingezonden brief te schrijven' of "Ik schrijf niet graag ingezonden stukken en doe dit alleen omdat ik weet dat het een probleem betreft dat veel mensen bezighoudt' of "Ik schrijf nooit een brief en ik acht het uw plicht deze brief van mij af te drukken'.

Wie gaan er schuil achter de verstokte brievenschrijvers? De lezers die met een grote regelmaat schrijven en die door hun gezichtspunten, kennis en bondige stijl de redactie steeds weer weten te verleiden de brieven af te drukken, en dit soms al dertig jaar of langer. En waarom voelen zij die drang om steeds maar weer in de pen te klimmen?

Mevrouw M.A. de Jong-de Monchy is met Henriette Boas een van de weinige vrouwen die regelmatig ingezonden brieven schrijven. In de jaren dertig werkte ze als redacteur bij de krant: "Allereerst ben ik zo gewend te lezen op correctie dat ik eerder fouten zie in de krant. Dat gaat overigens niet op voor de beursberichten. Er zijn meer mensen die zich ergeren maar ik ben gewend de pen te vatten en bovendien reageer ik nogal direct. Dat heb je voor de journalistiek nodig, je moet primair zijn. Als ik me kwaad maak denk ik, ik kan beter een stukje schrijven. Maar ik schrijf bijna altijd aan de hoofdredactie. Sommige dingen hadden naar mijn mening niet in de krant gehoeven en dat wil ik niet nog eens herhalen in een ingezonden brief. Een enkele keer schrijf ik een ingezonden stukje, maar dat doe ik zo min mogelijk want mijn naam staat eronder. In mijn kennissenkring roepen ze dan wel eens: gut gut, moest je weer zo nodig? In de tijd dat ik bij de krant werkte schreef je niet zoveel stukken, maar bovendien was alles wat je schreef anoniem, dat was veel prettiger. Net zoals het hoofdartikel onder Lux et Libertas nog anoniem is. Het is nu wel wat persoonlijker en wat directer maar er zijn ook zoveel meer redacteuren. Als in mijn tijd een buitenstaander schreef, een professor of zo, dan stond wel zijn naam eronder. Verder wist men meestal wel wie een toneel- of muziekrecensie deed. Dat de naam van een redacteur niet bij een stuk stond gaf misschien minder concurrentie, want de sfeer was buitengewoon vriendelijk en goeiig. Boven (de redactie) vormde een hechte clan tegenover beneden (de directie) . Er was geen krant waar de onderlinge competentie zo was afgebakend. De toenmalige hoofdredacteur G.G van der Hoeven was een grand seigneur van zo'n verrukkelijke arrogantie, dat hij volstrekt onkwetsbaar was. Hij dekte onder alle omstandigheden zijn mensen. Toen hij een keer werd opgebeld door de hoofdcommissaris van politie met de mededeling: we hebben een van uw redacteuren vannacht dronken moeten oppakken, zei G.G (op geaffecteerde toon): "Maar meneer daar zijn u klabakken toch voor dacht ik, wat kan het mij schelen of een van mijn mensen in zijn vrije tijd een slok teveel gebruikt'.

Er was een groot verschil met het Algemeen Handelsblad. Bij het huwelijk van Grace Kelly met prins Rainier van Monaco had het Handelsblad bijvoorbeeld een groot stuk over het sprookjeshuwelijk. Maar in de NRC stond een heel klein stukje, zonder kop: Gisteren is in Monaco het huwelijk voltrokken tussen prins Rainier en mejuffrouw G. Kelly uit Philadelphia . Dat tekent zo'n beetje de sfeer die bij de NRC leefde. Het Handelsblad was anders, dat moest populairder doen om te concurreren met de Telegraaf.

Het was bij ons eigenlijk één grote familie. Bij andere kranten keek men daar van op, daar werd wel met de ellebogen gewerkt. Dit speelde allemaal voor de oorlog, ik ben getrouwd en werkte nog incidenteel voor de krant. Toen de oorlog uitbrak was er niet zoveel meer te doen, alleen als het per se nodig was viel ik wel eens in als er te weinig mensen waren en deed ik ander journalistiek werk. Het heerlijke van dagbladjournalistiek is dat je er nooit ijdel van wordt. Ik zou er niet over piekeren om een boek te schrijven. In de eerste plaats ben ik over alles in één kolom uitgepraat, maar bovendien kan een boek waar je misschien maanden of soms jaren aan hebt gewerkt binnen korte tijd al bij De Slegte liggen.'