GROOT-INQUISITEUR [2]

Professor Karel van het Reve geeft toe eigenlijk geen bewondering te hebben voor Dostojevski's verhaal, maar beschrijft toch de passages over het wonder.

Mijn leermeesteres prof. dr. Cornelia J. de Vogel geeft in "Ecclesia Catholica' een redelijke verantwoording van een persoonlijke keuze: “Wie zich in geloof buigt voor Christus, aanvaardt ook het wonder, het mysterie en tenminste in zekere zin het gezag. Het is waar, Dostojevski kritiseert in dit verhaal de roomse vorm daarvan. Maar zijn kritiek is feitelijk een parodie.....

Deze Kerk, haar priesters en gelovigen, hebben voortdurend met Christus te maken, elke dag, in elke sacramentele act; in elke heilige mis, in iedere communie, in elke biecht. Hijzelf is met Zijn macht in iedere bisschop en in iedere priester. Hij is aanwezig in het allerheiligst sacrament.

Hij leeft, letterlijk in zijn kerk...

(De groot-inquisiteur: ze mogen zelfs zondigen, als wij het maar goedvinden.) Als parodie zou dit werkelijk wel aardig zijn - als het niet ging om de heiligste dingen: Christus, die aan Zijn dienaren de macht tot vergeving der zonden heeft geschonken, waardoor wij gereinigd worden in het sacrament van de biecht, en de kracht ontvangen tot een beter en heiliger leven.''