GROOT-INQUISITEUR [1]

Karel van het Reve poneert met stelligheid dat Dostojevski's Groot-Inquisiteur barmhartiger was dan Jezus (NRC Handelsblad, 15 februari).

Zijn argument: iemand die volhoudt dat de legende een aanklacht is tegen wreedheid en onverdraagzaamheid van de kerk, doet afbreuk aan de "diepzinnige betekenis' van het verhaal.

Van het Reve acht het kennelijk wèl "literair interessant' om de mening van de groot-inquisiteur zonder meer te verslijten voor die van Dostojevski zelf. Genadeloos is het oordeel van de slavist: de argumentatie van de Groot-Inquisiteur "rammelt hier en daar bedenkelijk'. Genoeg reden om geen grote bewondering voor de legende te hebben.

Als één interpretatie van Dostojevski's meesterlijke verhaal aanvechtbaar en - in reviaanse termen - oninteressant en banaal genoemd kan worden, dan is het deze.

Uiteraard deugt de argumentatie van de Groot-Inquisiteur niet. Juist dat gegeven maakt de legende zo boeiend en diepzinnig; juist daarom roept Aljosja uit tegen Iwan: “Maar dat is waanzin!” en: “Zo'n fantastische figuur als jouw inquisiteur is volstrekt onmogelijk”.

Merkwaardig genoeg geeft Van het Reve een voorbeeld van "rammelende argumentatie' waar daar juist geen sprake van is. Als de Groot-Inquisiteur beweert dat Jezus alleen vrijwillig gevolgd wil worden door mensen, en niet (uitsluitend) wegens Zijn wonderen, dan klopt dat met de boodschap die het Nieuwe Testament uitdraagt over de bedoeling van de wonderen van Jezus. Dat Van het Reve die boodschap is ontgaan, geeft hem nog geen recht om Dostojevski te beschuldigen van gebrek aan bijbelkennis of van een onjuiste bijbelinterpretatie.